Vroegste Historie / Early History

De naam Neede

Bron: (6) (Drs. H. Krosenbrink)

Maurits Gysseling, een van de meest deskundigen op het gebied van oude namen, vermeldt dat de plaats als eerste wordt genoemd in 1164/1176, en wel in Keulen (D) in het standsarchief in de zogenaamde Schreinsurkunden. Hierin wordt een Rudolfus de Nede genoemd. Het is echter niet duidelijk of hier het Achterhoekse plaatsje Neede wordt bedoeld.

In het goederenregister van de Graaf van Dalen uit 1188 wordt de plaatsnaam als Nedhe vermeld. In 1200, in een kloosteroorkonde van Bethlehem bij Doetinchem, als Nithe.

Gysseling verwijst voor de betekenis van de naam naar het Germaanse Nipara, waarbij de “p” wordt uitgesproken als het Engelse “th”. “Nipara” betekent “neder” (laagliggend).

Ernst Förstemann, een andere etymoloog, geeft als mogelijkheid aan dat de plaatsnaam is afgeleid van het oudhoogduitse “nid” of “nida” dat onder meer “beneden” betekent. Hij vermeldt Neede als Nethe, waarbij hij verwijst naar de “Codex traditionum Westfalicarum III” van professor dr. Franz Darpe. Eind 11e eeuw wordt hierin het dorp Nethe genoemd naast Nithe in de 12e eeuw.

Aansluitend op hetgeen Krosenbrink in zijn publikatie vermeld, merk ik op dat die “lage ligging” waarschijnlijk verwijst naar de ligging ten opzichte van de Needse Berg (ook wel eens enigszins ludiek aangeduid als “de laagste berg ter wereld”) en deels in het dal van de riviertjes Berkel, Bolksbeek, Regge en Schipbeek.

Neede in de 12e en 13e eeuw

Bron: (6) (Drs. J.G. Smit)

De vroegst bekende historie van Neede gaat terug tot de 12e eeuw. Toen leefden er in het gebied, in de dalen van de Schipbeek, Regge, Berkel en Bloksbeek, een aantal edelen zoals de graven van Goor en de heren van Borculo en Diepenheim. Zij woonden in eenvoudige woontorens en nog niet in versterkte kastelen. Om die torens lagen versterkte aarden wallen en grachten.

De afkomst van deze graven en heren is duister. Als zij “vrijen” waren, dan kan hun afkomst teruggaan tot zijtakken van Karolingische gravengeslachten. Als zij “ministeriaal” (dienstman) waren, zouden zij gebonden moeten zijn geweest aan een ander aanzienlijk persoon. De heren van Borculo en Diepenheim waren, zoals uit latere bronnen duidelijk is geworden, eigen baas over hun eigengeërfde grondbezit. Volgens overlevering waren de heren van Diepenheim en de heren van Ahaus broers, net als de heren van Borculo en (Stadt)Lohn.

Ik verwijs hierbij graag naar de website De Graafschap in de Middeleeuwen, alwaar u een schat aan informatie vindt over de oudste geschiedenis van de Achterhoek.

Deze edelen bezaten veel gronden langs de genoemde rivieren en op de ontgonnen hellingen daarboven. Exploitatie gebeurde onder het hofstelsel. Onder het hof, een grote boerderij, vielen een aantal kleinere boerderijen die een gedeelte van hun opbrengst moesten afdragen aan het hof. Later, toen deze heren echte kastelen hadden gebouwd, werden deze afdrachten meestal rechtstreeks naar het kasteel gebracht. De mensen op de hoven waren horigen, “onvrijen”, gebonden aan de grond. Er bestaat onderscheid tussen:

  • hofhorigen, die we met de huidige inzichten het beste als “slaven” kunnen betitelen
  • hofvrijen, die we, vrij naar het vorige, vrijgekochte slaven kunnen noemen en
  • eigenhorigen, vrije mensen die echter wel bij overlijden alle goederen aan de leenheer moesten nalaten

Horigen als “slaven” betitelen is niet helemaal correct. Het slavendom suggereert geweld en uitbuiting door de leenheer. Natuurlijk hadden de horigen geen makkelijk leven en moesten zij soms grote delen van de oogst aan de leenheer afstaan. Zij mochten niet zo maar trouwen maar hadden daarvoor toestemming van de leenheer nodig. Toch konden zij zich vrijkopen en werden daardoor via “hofvrije” uiteindelijk “eigenhorige”. Het hof- of leenstelsel heeft nog tot in de 18e eeuw bestaan. De hofvrijen van de 17e en 18e eeuw waren nog steeds pacht schuldig aan de grondeigenaar. Deze pacht werd vaak in natura voldaan.

Een groot landbezitter was in die tijd Hendrik, graaf van Dale (1166 – 1212). Hij kreeg grote delen van zijn bezit via zijn huwelijk met Regenwice, de erfdochter van Wolbertus van Diepenheim en Gisela van Goor. Hij bezat grote delen land in Westfalen en in Oost-Nederland. De naam Dale komt van Dahl, een nu nog bestaand kasteel in Westfalen aan de Lippe ten noorden van Dortmund.

In 1188 besloten Regenwice en Hendrik van Dale dat zij van alle bezittingen een inventaris wilden opmaken. Zodoende werd in 1188 het goederenregister opgemaakt waaruit bovenstaande informatie deels is afgeleid. Het goederenregister werd daadwerkelijk opgesteld door Everardus, kapelaan van Hendrik en Regenwice.

Er bestaat gerede twijfeld omtrent de echtheid van het goederenregister uit 1188. Philippi en Bannier deden in 1904 onderzoek en kwamen tot de slotsom dat het werk in de 12e en 13e eeuw moet zijn aangevuld en verrijkt met namen e.d. Het is dus mogelijk dat delen van het register “slechts” tot de 13e en 14e eeuw teruggaan.

Smit trekt zelf de conclusie dat het goederenregister een kern heeft die oorspronkelijk uit 1188 stamt. Het is echter in de loop van de 13e eeuw omgewerkt en uitgebreid en heeft zijn definitieve vorm rond 1300 gekregen.

Een ander stuk waarin Neede (Nithe) is beschreven is een opsomming van de goederen van het klooster Bethlehem bij Doetinchem, dat stamt uit het jaar 1200.

En er bestond al eerder een Hof Neede. Deze hof was al vroeg in het bezit van het vrouwenklooster Sancta Maria trans Aquam of Ueberwasser in Münster, gesticht in 1040. Dat blijkt uit de goederenlijsten die van dit klooster bewaard zijn gebleven. De oudste versie hiervan dateert uit het einde van de 11e eeuw (dus van voor 1100). Volgende uitgaven dateren uit het begin van de 12e eeuw en er is er nog een uit een latere periode in 12e eeuw. Een deel van de daarin staande vermeldingen van “Nethe”, “Curia Nethe” of “Nythe” zou dus ouder zijn dan 1188. Het klooster werd in de tweede helft van de 12e eeuw of in het begin van de 13e eeuw afgescheiden van Eibergen of (indirect) van Groenlo, waarna het klooster het recht kreeg tot pastoorbenoeming en een vrouwelijke heilige als schutspatroon koos (Sint Caecilia).

Niet in detail hier vermeld zijn de namen van de hoeven en hun verervingen. Duidelijk is dat Smit een behoorlijk stuk research heeft gedaan naar de historie van Neede en van de erven aldaar. Alles lezend, merkte ik op dat vele van de namen van de erven uit de 12e en 13e eeuw nog steeds bestaan. Helaas is de naam Mengerink (of Menger) daar niet bij, waaruit ik voorzichtig de conclusie trek dat deze naam pas later in deze contreien is geïntroduceerd.

Onder dak in 1188

Bron: (6) (H. Hagens)

In wat voor huizen woonden die boeren in 1188 ? Helaas is die vraag moeilijk te beantwoorden, omdat er slechts weinig aanwijzigingen over die behuizing zijn teruggevonden. Resten van deze behuizing zijn in de gehele Achterhoek niet gevonden (dat in tegenstelling tot vele andere streken van Nederland). Slechts een huis uit de 14e eeuw (1300-1400) is teruggevonden nabij het Erve Kots bij Lievelde. We zullen dus buiten de Achterhoek naar aanwijzingen moeten zoeken over hoe de huizen er in die tijd uitzagen.

(…) Hagens vertelt hier het een en ander over hoe er aan bewijsmateriaal kon worden gekomen. Hij duidt op het feit dat alle hier gepubliceerde gegevens zijn gebaseerd op opgravingen in de zeer wijde omgeving (Twente, Salland, Drente, Veluwe en het Duitse Münsterland). We moeten uitgaan van plattegronden van opgegraven huisresten. Die plattegronden geven aan dat de constructie van huizen uit die tijd was gebaseerd op een in een ruime ovaal geplaatste serie palen, waartussen de wanden uit leem en stro werden geconstrueerd. Als dak diende een dek van stro of riet. De palen werden met pen-en-gat verbindingen aan elkaar gezet, een techniek die al dateert uit de bronstijd.

(…) Hagens vertelt over de mogelijke constructievormen van huizen en over de aanwezigheid van bijgebouwen. Zo’n huis (hus of seli, ook wel halla genoemd) vormde het middelpunt van wat men een hof of villa noemde (ook hof of burg). Dat burg duide op een versterkte of omgrachte plaats, waarbinnen het huis en de bijgebouwen lagen. Die bijgebouwen waren veelal veestallen (stabulum) en bijenstallen (alvearum). In de veestallen werd, naast een aantal schapen, zeker ook rundvee gehouden. Ook was vaak een screona(werkhut, schuurtje) aanwezig, waarin soms een weefgetouw stond en opslagmogelijkheden waren voor oogsten (stro, granen, hooi).

Al in de Karolingische tijd (de 8e en 9e eeuw) waren er dergelijke erven of hoven. Bewijs is er dat dergelijke huizen “ongedeeld” waren (ze kenden geen vertrekken zoals we nu gewend zijn). Zelfs was er geen voorziening zoals een zolder of een horizontale balkenconstructie. Wellicht werden de ruimten voor het vee afgeschermd door matten van riet of biezen, maar zeker is dat niet. Rook van het open vuur ging door een gat in het dak naar buiten. Nu kennen we dergelijke huizen niet meer, maar tot zo’n honderd jaar geleden woonden armere boerengezinnen in een type huis dat als lös hoes bekend is: een huis dat geen afzonderlijke vertrekken kende en waar het vee en de huisgenoten één en dezelfde ruimte deelden.

(…) Hagens gaat uitgebreid in op de constructie van balken, wanden en dak.

Zie ook de pagina over leven en wonen in Oost-Nederland.

Huize De Kamp

Neede kende in vroeger dagen slechts een beperkt aantal rijken. En die rijken woonden in wat we wel aanduiden als een “havezathe”, een grote boerderij, die in enkele gevallen uitgroeide tot wat grotere en ambitieuzer proporties. Kastelen moeten we het niet noemen, want van enige versterking was meestal geen sprake.

Huize De Kamp is zo’n voorbeeld. Het staat ongeveer 1 km west-zuid-west van het centrum van het dorp (peiling: de Nederlands Hervormde Kerk). De oudste vermelding stamt uit 1487. In de 16e eeuw (ca. 1550-1560) werd het bewoond door de familie Tengnagell. In later eeuwen werd het bewoond door onder andere de familie Bentinck.

Het huis heeft het karakter van een versterkt huis, deels opgebouwd uit Bentheimer zandsteen. Het is eenvoudig van bouw en indeling en kent enkele bijgebouwen die voornamelijk als schuur en opslagplaats dienden.

Het Bloyshuis

Aan de Haarlose Steeg stond vroeger het kasteel “Welmaring”, dat later “Jonker Bloo” of “Bloyshuis” werd genoemd. Het kasteel had een kapel en een torentje, zoals de tekening (een aquarel ?) toont.

Het kasteel werd ca. 1820 afgebroken. Helaas zal het dus wel altijd in de tijd verborgen blijven wat de historie van dit kasteel was.

Het torentje had, zoals vele van deze versterkte huizen in die tijd, een klok. Die diende ervoor om de tijd aan te geven, maar ook om de bewoners en omwonenden op mogelijk gevaar te wijzen.

Het plattelandsleven in en rond Neede

(op eigen titel)

Neede in de 12e eeuw was zonder twijfel niet meer dan een verzameling boerenerven, waar keuterboertjes een karig bestaan leidden en delen van de oogst schuldig waren aan de leenheer of de graaf. Het dorp Neede moet zijn ontstaan rond een voorloper van de huidige Nederlands Hervormde Kerk (Kerkplein), welke in die tijden het Rooms-Katholieke geloof diende. Wellicht was in of nabij het dorp ook het klooster gevestigd dat eerder op deze pagina werd genoemd. En de Hof van Neede moet ook ergens nabij het huidige centrum hebben gestaan, zo suggereren de beschrijvijngen. Zoals we uit het werk van J.G. Smit leren, is in de 12e/13e eeuw voor het eerst sprake van een zelfstandige pastorie, ontstaan door afscheiding van het pastoraat Eibergen/Groenlo.

Van de tijd tussen de 12e en de 16e eeuw (we duiden die periode vaak aan als de “late middeleeuwen”) is weinig bekend, althans niet in verband met ons dorp. We weten uit verschillende bronnen dat deze gebieden regelmatig van leenheer wisselden, dat er regelmatig strubbelingen waren tussen enerzijds de Duitse vorsten en anderzijds de Graven en Hertogen van de Lage Landen. Neede zal daar ongetwijfeld haar deel van hebben meegekregen. Maar doordat Neede onderdeel uitmaakte van de Heerlijkheid Borculo, een gebied met een eigen rechtelijke macht en een eigen status binnen de “internationale regels” was het lange tijd een gebied waar nóch de Nederlanden nóch de Duitse vorsten vat op hadden. Het verkeerde tussen die twee (over)heersers als een redelijk zelfstandig gebied.

We weten ook – de feiten zijn opgetekend door tijdgenoten die konden schrijven, vaak kloosterlingen – dat er in die late Middeleeuwen grote pestepidemieën woedden in Europa. Zeker de 15e en 16e eeuw kenden, wat de pest betreft, een flink aantal rampjaren. De Europese bevolking decimeerde eind 15e eeuw in enkele decennia (een halvering in sommige gebieden wordt wel aangenomen als een redelijke schatting). Neede lag ook nog eens in één van de ergst getroffen gebieden van de Lage Landen. Er was geen remedie tegen deze verschrikkelijke ziekte. Als er één persoon in een gezin door werd getroffen, dan stierven de andere leden van het gezin meestal ook … binnen enkele dagen tot een week. Men had geen idee hoe de ziekte werd overgedragen en wist dus ook niet dat de lijken net zo besmettelijk waren als de nog levende zieken.

Gedurende de 15e, de 16e en het begin van de 17e eeuw was het gebied waarin Neede ligt toegewezen aan het Bisdom van Münster. Denk nu niet dat dit een rustige tijd betekende. Bisschoppen hadden in die tijd een evengrote invloed op de politiek als Graven, Hertogen, Koningen en Prinsen (of wat voor gezag ze ook uitdroegen). Illustratief is dat één van de bisschoppen van Münster in de volksmond wel werd aangeduid als “Bommen Berend” vanwege de vele oorlogen die hij voerde. En als die oorlogen niet ín de Heerlijkheid werden uitgevochten, dan trokken de troepen er wel doorheen. Nee, rust was de Needse boer of burger in die periode niet gegund.

Die rust werd nog wreder verstoord door reformatie, in de tweede helft van de 16e eeuw. De 80-jarige oorlog was er het directe gevolg van. De Prins van Oranje (Prins Willem I) had de Nederlanden min of meer onder zich gekregen, maar was een “zetbaas” van Koning Philips II van Spanje. Die koning was streng katholiek, maar zijn protégant Willem moest daar niets van hebben. Hij was voor zijn tijd een vrijdenker en trachtte het liberalere protestantisme, dat hij bij zijn Duitse opvoeding had meegekregen, ook in onze streken te introduceren. Tot grote woede van Philips II die prompt de beruchte legeraanvoerder Alva stuurde met een vers contingent Spaanse soldaten. Het was in onze Lage Landen een beetje zoals tijdens de Vietnam oorlog: de soldaten van Willem, na zijn overlijden aangevoerd door broer Maurits en zijn zonen, waren meer guerillastrijders dan reguliere soldaten. En die soldaten van Alva hadden geen ervaring met vechten in moerassige streken (1/3 van Nederland was water, de rest grotendeels drassig bouw- of weiland, of zelfs een totaal onbegaanbaar moeras). Ook in de oostelijke gebieden van het huidige Nederland werd die oorlog uitgevochten. Groenlo werd meerdere keren belegerd en de legers van Maurits en Alva trokken meermaals al plunderend door de Achterhoek om plaatsen als Vorden, Oldenzaal en Bentheim (toen belangrijke vestingsteden) aan te vallen. De strijd ging met golven heen en weer door het land. Dan weer het noorden, dan het zuiden en westen waren strijdtoneel. Uit de bijnaam van Prins Frederik Hendrik, de “Stedendwinger” valt af te leiden dat met name de steden het zwaar hadden, door belegeringen en de huisvesting van soldaten. Op de pagina Deventer Bronnen staat een stukje waaruit blijkt dat ook die stad gedurende langere tijd Spaanse en daarna Staatse troepen huisvestte.

We waren dan wel slachtoffer van die strijd, maar het katholicisme bleef hier nog relatief lang de leidende godsdienst. Pas tijdens de reformatie (eind 16e) is in onze contreien het protestantse geloof geïntroduceerd en hielden de Spaanse inquisiteurs zich meer op de achtergrond. De toemalige Rooms-Katholieke kerken werden gebrandschat en geplunderd, waarna ze ten dienste kwamen aan het door Luther en Calvijn gepredikte Protestante geloof. Rond 1615 werden de gebieden die behoorden tot de Heerlijkheid Borculo (o.a. ook Neede) door het Bisdom Münster definitief overgedragen aan de “Verenigde Provinciën”, zoals ons land toen heette. In de genealogie zien we dat ook pas daarna de kerkregisters consequent werden bijgehouden, al waren er plaatsen waar dat eerder begon.

De katholieken hadden het daarna op hun beurt moeilijk. Ze werden niet vervolgd zoals de protestantse “ketters” tijdens de Spaanse Furie, toen de inquisitie duizenden mensen op de brandstapel bracht. Officieel was het hen echter niet toegestaan om openlijk hun geloof te belijden. Maar ze werden gedoogd (hoe modern is het poldermodel eigenlijk ?). Vaak kwam men bijeen in schuren en op zolders en vierde daar de Eucharistie. Eerst in de 18e en 19e eeuw kwam er voorzichtig verandering in de geloofssituatie, doordat de overheid en de Protestante Kerk minder streng optraden tegen beleiders van het Rooms-Katholieke geloof. In feite was dat geloof altijd, doch in het verborgene, blijven bestaan. In sommige regio’s werd het zelfs zonder problemen in brede kring beleden.

Terug naar “ons dorp”. Het dorp Neede is lange tijd, vele honderden jaren, niet meer geweest dan een paar straten (zandwegen uiteraard), langs welke de boerenhuizen met de achterzijde (de “niendüre”) naar de straat gekeerd stonden. Alleen de huidige Oudestraat en Nieuwstraat bestonden. De kerk was er, maar verder keek men slechts over velden en essen en zag men in de verte de Needse Berg liggen.

Het land rondom Neede (voornamelijk zandgrond) was niet erg vruchtbaar, behalve de delen die regelmatig werden overstroomd door het water van Berkel, Schipbeek, Regge en Bloksbeek. Die overstromingen brachten vruchtbaar bezinksel (rivierklei) en zorgde ervoor dat de boeren, als dergelijke overstromingen ten minste op het juiste moment kwamen, een goed jaar tegemoet konden zien. Een verkeert moment of een te lange overstroming, of het tegenovergestelde: droogte, en de oogsten mislukten jammerlijk. Armoe en honger was dan ieders deel.

Was er een goede oogst dan profiteerde daar eerst de leenheer van. Hij kreeg een flink deel van de opbrengst in natura en hoefde daar feitelijk niets voor te doen. Nou ja … niets ? We wijzen op het feit dat het leven op het platteland in die tijden niet zo vredelievend en veilig was als nu. Oorlogshandelingen, roversbenden en ongenode gasten uit andere streken brachten vaak dood en verderf. De boer van toen was oogst schuldig aan zijn leenheer, maar die leenheer moest daar wel enige bescherming van zijn horigen tegenover stellen, anders was honger ook zijn deel. De leenheren en graven hielden er dan ook vaak een klein legertje op na dat in tijden van rampspoed de vreemde indringers tegemoet trad en ze zonder pardon een kopje kleiner maakte. Dat daarbij in het gevecht vaak grote delen van de oogst verloren gingen en boerenhuizen in brand werden gestoken, beschouwde men slechts als bijzaak. De vijand was immers verjaagd !

Neede lag destijds in een gebied dat meer werd beheersd door Duitse heren en vorsten dan door heren uit het westen. Zo Nederlands als we Neede nu vinden is het tot in de 17e eeuw eigenlijk niet geweest ! Neede, of beter: de Heerlijkheid Borculo, behoorde lange tijd tot het Bisdom Münster en werd bestuurd vanuit de gelijknamige stad. Pas na de 80-jarige oorlog, die eindigde in de vrede van Münster (1648), behoorde Neede definitief tot de Zeven Verenigde Nederlanden (de Zeven Provincien: Holland, Zeeland, Groningen, Overijssel, Gelderland, Utrecht en Brabant). De grens tussen Gelderland (Gelre, zoals het toen nog heette) en het Bisdom Münster liep vóór die tijd iets ten westen van Borculo. De huidige gemeenten Borculo, Neede en Eibergen waren de meest westelijke gebieden van het Bisdom Münster … tot ca. 1615, toen de voorlopige overdracht plaatsvond.

In de 16e, 17e en 18e eeuw is over Neede weinig geschreven. Het lijkt wel alsof er een enorm tijdsgat zit in die eeuwen. We weten dat Neede niet gespaard is gebleven tijdens de 80-jarige oorlog. De legers van de Prins (Maurits) trokken door deze gebieden en leverden ook hier slag. De belegeringen van steden als Lochem, Diepenheim en Groenlo moet ook in ons kleine dorp zijn sporen hebben nagelaten. Helaas is hier niets van opgetekend (of ik heb het niet kunnen vinden). Ook weten we dat in het “rampjaar” 1672, toen de Nederlanden door zowat alle buren werden belaagd, het gebied ten oosten van de IJssel hevig te lijden heeft gehad van de beschietingen door “Bommen Berend” (de toenmalige Bisschop van Munster).

Pas uit de 19e eeuw vinden we geschriften terug welke ons meer informatie bieden over die tijd. Een tijd van armoe vooral. Neede was nog steeds een dorp van kleine boeren die, om nog enigszins in hun levensonderhoud te kunnen voorzien, allerlei bijverdiensten hadden. Zo was er als belangrijkste bijverdienste de textielweverij, welke menig boerenfamilie net boven het bestaansminimum hield. Menig boer had een weefkamertje in of aan zijn huis gebouwd. In dat weefkamertje werden de doeken geweven welke door handelaren werden opgekocht om te worden verkocht op de markten in Deventer, Amsterdam en andere grote handelssteden. De namen van die handelaren kennen we natuurlijk: Ter Wheeme, Ten Cate, Ter Kuile, Ten Hoopen, Blois (Bloos), enz. Dat Neede in later jaren zoveel textielfabikanten telde is dus niet vreemd; het was een voortzetting van de huisvlijt waarbij het fabrieksmatige slechts een uitvloeisel was van de tijdsgeest: alles moest efficienter en goedkoper.

Terugkijkend op de historie van Neede zien we een rijk en wisselend verhaal waarover men met gemak een compleet historisch werk kan schrijven (hetgeen, doch in delen, ook is gebeurt, getuige de vele uitgaven van de Historische Kring Neede). Neede was en is geen rijk dorp. Het heeft ook nooit de pretentie gehad rijk te zijn. Het volk, zelfs de notabelen, realiseren zich ook nu nog steeds dat bescheidenheid een deugd is. Herkenbaar is dat in de dorpsmentaliteit: doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg !

Ik zei het al eerder: ik ben geen geschiedschrijver en wat u hier las is slechts mijn vrije interpretatie van diverse bronnen. Ik hoop echter dat u het verhaal door deze wat vrijere benadering met plezier hebt gelezen. Mijn dank gaat uit naar de hoofdmeester van de Lagere School, de heer Van der Berg, die mij gedurende mijn laatste jaar op de Spilbroekschool de interesse bijbracht voor de streekgeschiedenis. Zijn vertellingen boeiden me steeds weer. Hij kon als geen ander duidelijk maken dat we weliswaar in de twintigste eeuw leefden, maar dat alles wat we om ons heen zien zijn wortels heeft in een vaak ver verleden. Niets is er “zo maar”, zei hij altijd.The name Neede

Source: (6) (Drs. H. Krosenbrink)

Maurits Geysseling, one of the experts on historic names, says that the oldest known source with the name Neede dates back to 1164/1176. It is a source from the city archive of Cologne, Germany (Keulen/Köln), more specific: the so called “Schreinsurkunden”. In them, a “Rudolfus de Nede” is mentioned. It is however not clear if indeed the village of Neede herself is meant.

In the “register of goods” (posessions) of the “Graaf van Dalen” (Count of Dalen) from 1188, a place called Nedhe is mentioned. In 1200, in a charter by the monestery of Bethlehem near Doetinchem (a town in the south-east of Gelderland), a place called Nithe is mentioned.

Gysseling refers to the meaning of the Germanic wordt Nipara, in which the “p” is pronounced like the current English “th”. Nipara means “low” (in terms of groundlevel compared against the surrounding area). Indeed, Neede lies in a somewhat lower part on both sides of the small river Berkel.

Ernst Förstemann, another entymologist, suggest that the name Neede is derived from the High-German “nid” or “nida”, which means “downwards” or “down under”. He mentiones Nethe, and refers to the “Codex traditionum Westfalicarum III” of professor doctor Franz Darpe. That book mentions a village called Nethe or Nithe in the 12th century.

The essence is that the name is derived from a word or qualification that mainly points to the fact that the Neede area is a somewhat lower area compared to the surrounding region, a “lower area”. That “lower area” could refer to the fact that the town lies in the valley of the small river “Berkel”, but also that Neede lies at the foot of a hill (now called Neede’s Mountain).

Neede in the 12th and 13th century

Source: (6) (Drs. J.G. Smit)

The earliest known history of Neede goes back to the 12th century. In the valley’s of the small rivers Berkel, Bolksbeek, Schipbeek, Regge and Buurserbeek lived the Counts of [the town of] Goor and the Noble Men of [the towns of] Borculo and Diepenheim (Goor, Borculo and Diepenheim were in those days just properties and estates, in current times they are small towns like Neede). They lived in a pre-version of castles (enforced houses with a watch tower and surrounded by defense structures like ridges and ditches).

The origin of those Counts is uncertain. If they were “free men”, their origin might go back to descendants of Charles the Great (around 800 AD). If they were “ministerial” (servants to a higher ordered Count), they would have been bound to a Count, Prince or King of higher order. But as can be concluded from sources, those Counts were landowners and so must have been free men. The Noble Men of Diepenheim and Ahaus (a nearby German town) were brothers, just like the Noble Men of Borculo and the German town of (Stadt)Lohn.

These Noble Men owned all the land alongside those small rivers and on the nearby hills. These lands were exploited by means of the “court system”. Under a “court” (a large farm or estate) were a number of smaller farms, that had to pay a certain amount of their crop to the Court. Those people weren’t free to go or make decisions like marriage etc. They had to ask the Court for permission to travel, to marry, to exchange land and even about what crops they should plant. This court system slowly deminished in the time period between 1600 and 1800. After about 1800, the court system was forbidden and land was given to the farmers. Landowners and Estates were allowed to earn “rent” (wages) for this instead. That rental system is still in place in large parts of the country. It is called “pacht” and is in fact an assurance to the farmers that they can exploit their land and make investments for for many decades  (some contracts are 50, 70 or even more years in length). This stabalizes the ownership and guarantees the farmers their continuity.

One of the landowners in those days was Hendrik, Count of Dale (1166 – 1212). He became large parts of his properties through his marriage to Regenwice, heiress of Wolbertus of Diepenheim and Gisela of Goor. He had large properties in Westfalen (the part of Germany that directly borders to the Achterhoek). The name “Dale” goes back to “Dahl”, a still existing castle in Westfalen, just north of the city of Dortmund.

Regenwice and the Count of Dale decided in 1188 to have a register made up of their properties. This so called “goods register” was the basis for much of the information in this page. The writer of this register was Everardus, chaplan of Hendrik and Regenwice (such landowners had their own chapel and chaplan).

There is however a certain amount of doubt about the real origin of this 1188 goods register. In 1904 Philippi and Bannier (historic researchers) came to the conclusion that the register might be extended in the 12th and 13th century with names etc. So it is possible that parts of this register do not go further back in time than the periode between 1200 and 1300.

Smit (a researcher) draws the conclusion that the goods register has a kernel that originates in 1188, that it is reworked and extended in the course of the 13th century and that it got it’s final form around 1300.

Another piece that mentiones Neede (Nithe) is the register of properties owned by the Monestry of Bethlehem, near the town of Doentinchem, that dates 1200 AD.

But even before this time period there was something like a Court of Neede. That Court was owned by the womens Monestry of Sancta Maria trans Aquam of Überwasser in Münster, founded in 1040 AD. Proof lies in the goods registers of that monestry. The oldest version of that register dates back to the end of the 11th century (so from before 1100 AD). This Monestry was seperated from a higher ordered Monestry in Eibergen or Groenlo, somewhere in the midst 12th century (around 1150 AD). At that occasion, the Neede Monestry got the rights to pronounce a priest herself and she chose to have Sancta Ceacilia as her partoness (saint).

Estate “De Kamp”

There were just a few richer people in Neede in early days. And those richer people lived in what we now call “estates” (Dutch: Havezathe). They are in general a farm (property) that grew to large proportions in the course of centuries. We cannot call them castles, because there are no signs of any enforcements like towers, arms or barracks. They ruled and served the farmers through the court system.

This estate, “Huize De Kamp” is an example. It is situated about 1 mile south west from the village centre (bearing: the Dutch Refomed Church). The earliest records about this estate are from 1487. During the 16th century it was owned by the family Tengnagell, after that by the family Bentinck.

 

The house looks like an enforced house, built with Bentheimer sandstone. It is in fact quite a simple construction with just a few rooms in two levels. There are a few barns around it.

The Bloyshuis

Alongside the “Haarlose Steeg” (Haarlo Alley, 1 mile west of Estate De Kamp) stood the former castle “Welmaring”, later called “Jonker Bloo” or “Bloyshuis” (House of [family] Bloys). The castle had a chapel and a tower, as th painting to the right shows.

The remains of the castle were torn down around 1820. So it will forever be a mistery what history this castle had. There are just a few records that mention this castle.

Rural life in and around Neede in early days

During the 12th-18th century, Neede wasn’t more then a few (farm)houses, were farmers lived their sobre life. They had to pay honour to the Count in terms of services (mainly in war time) and goods (10-20% of the yearly crop was the minimum, but in times of war it was much more).

The village arose around the Dutch Reformed Church (which was Catholic back then) and didn’t grow to much more then a few hundred houses in 1800.

Those early ages (12th to 15th) are called “late middle ages” and less is known about what happend then. There were no recordings of average daily life, let alone of the people that lived back then. Some names that we know now came around in those ages, but how they came into this area is unknown. So we have to speculate about how life was back then. What we do know is part of the general European history.

Some facts of life back then aren’t that nice to read about. An example is the large epidemics that raged around Europe, of which the plague was one of the worst. During the 14th and 15th century, the population of some area was reduces by 30-50% due to the plague. Specially the rural areas were hit by this awfull and killing desease. There were no means of knowing what it was caused by, so people didn’t use measures like quarantine, hygene etc. Instead they helped eachother burrying the death, thereby intaminating themselves. These deseases could spread around Europe in a matter of months and kill complete families, even complete villages and town-quarters.

Another fact is that there were wars going on from year to year and decade to decade. Warless periods were scarce. People lived with the idea that any day could be their last day. This stimulated religion and also, specially outside the cities, witchcraft. And that again led to situations were any person that behaved just a little bit strange, or e.g. lived alone (like hermits) would easlily end up to be burned on the stake. We tend to say that the (Catholic) Spanish Inquisition killed thousands of (Dutch Reformed) “heritics” during the 80-year war (1568-1648), but in fact most people died on the stake because of local kangaroo courts’ judgements.

From the 17th century on (so from around 1600) we know more about the whereabouts of people because records have been made up from births, mariages and deaths. Also, the economic records are kept much better, then during the ages before 1600.

Before 1615, Neede was part of the Bisdom of Münster, a German territory of about the size of the Current Netherlands. You might say that the Westfalen part of the current German State of Nordrhein-Westfalen is about the same area as that Bisdom. But do not assume that Neede was in fact German, like we would call it in these days. The culture, language and spoken dialects differed from village to village. People that travelled let’s say 50 miles, would come across people that spoke a totally different dialect with different words and terms. But in general, the area we now would point out as the North-West of the German Republic (Niedersaksen, Nordrhein-Westfalen) together with the North and East the The Netherlands (provinces Groningen, Drente, Overijssel and Gelderland) had the same overall culture and language. The people were generally typed as “Saxons” (of common Germanic origin). Even nowadays people from the eastern Netherlands that go to Germany, up to a hundred or so miles across the border, may use their native dialect to be more or less understood by the German people.

Around 1615, Neede became part of the “Republic of Seven United Netherlands” (these are the seven provinces that declared themselves independant from the Spanish King). And from that moment in time, Neede became gradually a Dutch territory under Dutch law. This was a graduate process because people in Neede and surrounding area depended on the German economical “background”. These ties with Germany stayed stronger then the ties with the West up to the early 18th century. Then, due to wars etc., the bond between the Dutch Provinces (the Dutch nation was about what it is now, but still included parts of the currently independant Belgian State) was so strong and the ties with Germany became so loose, that Neede, and all villages and towns in that area, would be called Dutch in all aspects.

That gradual change in orientation from “eastern” to “western” was largely in sync with the slow process of reformation that took place between 1580 and 1620. These eastern regions were about the last to become Dutch Reformed.

That moment in time, 1615, was also the turning point in terms of stability. After that, due to the rule of the House of Orange, these eastern areas had a long period of relative rest, interrupted by only a few “struggles” (e.g. 1672). The 80-year war was won by the new northern European states, among them the new Republic of Seven United Netherlands. This republic ruled the waves back then and was the biggest economic power of the world for over a hundred years. In fact, when the Portugees left some of their colonies behind, the Dutch took them, made them again profitable and stayed there for a long period of time. The Dutch Red, White and Blue was on fortresses in every part of the world: Brazil, Surinam, half a dozen Carribean isles, West and South Africa, India, Indonesia, New Guinea, and a few properties in Eastern Asia, even one in Japan. Most peculiar is the fact that for a long period, until late in the 19th century, only the Dutch had trading rights with the Japanese nation. No other ship was allowed into this closed Japanese society but the Dutch. During the best years, only 10% of the Dutch population was involved with this international trade directly, but over 50% profited from this international trade indirectly. Cities and towns like Amsterdam, Vlissingen, Hoorn, Enkhuizen and Alkmaar became overwelmingly rich in just a few decades. But during the 18th century, this “hausse” gradually slowed down and the largest (and last) of the Dutch international trading companies, the VOC went broke around 1800. Then started a period of great poverty, from about 1820 – 1880, when large amounts of people went abroad to the New World, among them the three Mengerink Brothers.

Starting with the 19th century, so around 1800, we know more and more details about Neede. It became an independant municipal area within the French Province we were then, under King Lodewijk Napoleon (a brother to “the” Napoleon Bonaparte). Municipal records were kept in great detail from then on. It is due to these records we know how Neede evolved from an agricultural community to an industrial centre in the region. Textile industry was the most important and it brought great prosperity to Neede. Until the late 1960’s, early 1970’s. But that story is told elsewhere in this site.

As I said before, I’m not a historian writer and what you read here, is my own interpretation of what I read in several books and records. I hope to have given you some idea of Neede and it’s history by this, and any comment be it critical or complementary, is welcome. Many thanks go to the Headmaster of the primary school I went to, Mr. Van den Berg. That headmaster told us many of these stories and he must have left some historic virus in me. “Nothing is there just for the sake of being there; for everything and everyone is a reason and a cause, somewhere in history” he always said.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Mister Spy Was Here