Leven en Wonen / Life and Living

Over het leven en wonen in Oost-Nederland kan een boek van honderden pagina’s worden geschreven. Voor wie de bibliotheek van Neede bezoekt alvast de tip: daar bevinden zich vele van die boeken en het loont zeker de moeite om er eens een paar te lezen. Het is leerzame stof, waardoor men zich gaat realiseren dat de rijkdom en welvaart van nu er pas sinds kort is. Tot de eerste wereldoorlog was het boerenleven in Oost-Nederland voornamelijk een leven van armoe.

Helaas zijn er heel weinig fysieke overblijfselen van oude boerderijen en huizen. Het materiaal waarmee men bouwde was nogal vergankelijk: hout, leem en stro. De tekening hiernaast is van een boerderij uit Garderen (Veluwe), naar een pentekening van Claes Jansz. Visscher. De boerderij stamt uit de periode rond 1600. Omdat de Veluwe en de streek Twente-Achterhoek qua cultuur en leefwijze heel sterk op elkaar leken (nog steeds overigens), mogen we aannemen dat deze bouwstijl ook in onze streken heeft bestaan.

We zien in deze tekening al de oervorm van de boerderijen uit onze streek. Een langwerpige vorm met rondom lage muurtjes, eerst van leem en stro, later (18e en 19e eeuw) van baksteen. Het dak van kruislings gelegde boomstammen met daarover een dek van riet. Binnenmuren kende men toen niet. Het dak werd gesteund door wat rechtop staande balken die ook kruislings waren verbonden.

Deze foto toont een kleine “lemen” boerderij uit de omgeving van Ruurlo (Achterhoek) aan het begin van de 20e eeuw. De tand des tijds heeft hier zijn werk al gedaan; er zullen op het moment van deze foto ongetwijfeld geen mensen meer in hebben gewoond. Het materiaal waarvan deze behuizingen werden gebouwd maakte dat ze niet lang in stand bleven. Regen, wind en vooral vuur maakten vaak korte metten met de gebrekkige constructies. Een klein vonkje in het opgeslagen hooi was al genoeg om zo’n boerderij binnen een uur helemaal te verwoesten. Er was dan geen redden meer aan. Daar stond tegenover dat men zo’n bouwwerk in enkele weken weer overeind had. Een werk waar de naaste buren altijd en zonder vragen aan meehielpen. De “noaberplicht” was toen de belangrijkste sociale verzekering.

 

Deze boerderij, genaamd “De Menger” (elders in deze website uitgebreider beschreven) is al van later datum. Ze moet, gezien de bouwstijl waarbij zelfs dakpannen werden gebruikt, uit de periode 1800 – 1850 stammen. In vroeger tijden kenden de boeren onderling, ondanks hun relatieve armoede, toch een bepaald standsverschil. Ondanks dat de boer meer vee en land bezat, en de opbrengst daardoor groter was, kon hij die relatieve rijkdom maar op weinig manieren tonen. Er was immers niets van waarde te koop in deze streken. Of toch ! Een paard was een rijk bezit, evenals een koets waarmee men zondags naar de kerk ging (de minder bedeelden moesten soms uren lopen). Een bijgebouw waarin het vee en de wagen stond kon het standsverschil tonen. En met dakpannen ! Men werd geacht rijker te zijn, naarmate er meer pannen en minder riet op het dak van de boerderij lag. Zo mat men de rijkdom van de boer het snelst aan het aantal rijen dakpannen !

 

In de loop der tijd veranderde het aanzien van de boerderijen in de Achterhoek en Twente maar langzaam. Het model “De Menger” zoals op de foto hierboven, is van begin 19e eeuw of zelfs nog ouder. Het model hiernaast, het “Spielbroekhuis” (let op de extra ‘e’ in ‘spiel’), althans in de gedaante op deze foto, dateert waarschijnlijk uit de periode kort na 1850. Daarvoor moet er echter al lang een boerenwoning hebben gestaan (wellicht al honderden jaren), hoewel het verpondingsregister van 1646 geen vermelding met deze naam bevat.

De herkomst van de naam “Spilbroek” is, net als zovele namen in deze streken, niet meer exact na te gaan. Er was ooit een Bernt Spelbroick, genoemd in het archief van de Abdij St. Mariënhorst te Ter Hunnepe (24 juni 1506). Maar of die Bernt iets te maken had met het latere Spielbroekhuis of met het Spilbroek als geheel is formeel onduidelijk. Maar er mag worden aangenomen dat Bernt’s achternaam wel degelijk is afgeleid van de naam van de buurtschap (die naam was er hoogstwaarschijnlijk eerder dan Bernt het levenslicht zag, hoewel … je weet het nooit zeker !).

Deze foto toont de binnenplaats van een al wat recentere boerenwoning. We zien hier al gewone vensters met glas, luiken voor de ramen en veel hogere stenen muren. Deze bouwstijl treffen we in grote getale ook nu nog aan, helaas vaak als plagiaat van de originele Saksiche boerenwoning. Nieuw gebouwde huizen worden vaak ontworpen volgens deze landelijke, “Saksische” stijl, maar wees eerlijk, niks gaat boven het oorspronkelijke. Links zien we nog net de zandstenen waterput. Oost-Nederland was rijk aan schoon grondwater. De zandgronden fungeerden als natuurlijk filter en men kon dat water redelijk veilig drinken. Pas in de tweede helft van deze eeuw zijn de laatste waterputten in onbruik geraakt en ging men over op waterleiding. Het vee in de weiden drinkt echter ook nu nog vaak grondwater dat door een pomp naar boven wordt gehaald.

 

De boerderijen van voor 1850 kenden doorgaans geen binnenmuren. Men noemde dit type boerderij daarom een “lös hoes” (een open huis). Mensen en vee deelden één ruimte. De enige privacy die men had was de bedstee, een afgetimmerd hokje, afsluitbaar met twee deurtjes, waarin een strozak als matras diende en waarin men nauwelijks languit kon liggen. Oh ja, en de “kâkdeuze”, meestal een hokje ergens in de stal met daarin een plank boven een ton en een deurtje ervoor met een hartvormig gat erin. Men kan zich nu nauwelijks nog voorstellen dat mensen die leefstijl als heel gewoon ervaarden. Wel begrijpelijk was het hoge streftecijfer van pasgeboren kinderen en de vaak relatief jonge leeftijd waarop men stierf (50 jaar was al een respectabele leeftijd).

Op bovenstaande foto zien we het interieur van zo’n “lös hoes”. De vuurplaats en, in het algemeen, de plaats waar de mensen huisden, was de achterzijde, tegenover de “nienduure” (de grote deur waardoor het vee en de oogst ging). Zo was het “lös hoes” verdeeld in een mensen-gedeelte en een vee-gedeelte. De scheiding was meestal niet meer dan een paar planken, een rieten mat of een paar ijzeren staven bij wijze van hekwerk. De rook van het vuur ging tot in de vorige eeuw vaak nog door een gat in het dak. Pas later werden schoorstenen gebouwd en nog later kwamen er schouwen waarin men de kookpot boven het vuur kon hangen en waarin men het spek en de worst kon roken.

In Neede, eigenlijk in de gehele Achterhoek en in Twente, was het boerenleven in de 18e en 19e eeuw hard en pover. Veel boeren moesten er daarom wat bij verdienen. Deze foto toont zo’n bijverdienste: het weven van textiel; linnen, later vaak katoenen stoffen, die door rijke kooplui in de grotere steden in het westen werden verkocht en waaraan die kooplui vaak schandalig veel verdienden (de boer niet, maar dat zal duidelijk zijn). Elke boerderij had wel zo’n weefkamertje, soms apart gebouwd, soms als een deel van het boerenhuis. De boer maakte er lange dagen, vooral ’s winters als er op het land niet kon worden gewerkt. Van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat hoorde men het geluid van het weefgetouw. Bij gebrekkig licht en vaak zonder verwarming werkte de boer om zijn gezin een bescheiden extra inkomen te bezorgen. Rijk zijn ze er geen van allen van geworden.

De ontwikkeling van de boeren behuizing stond natuurlijk niet stil. Vooral aan het einde van de vorige eeuw, tot na de tweede wereldoorlog, was er een enorme verandering gaande in de bouwstijl. Omdat boeren meer financiële mogelijkheden kregen en onafhankelijker werden van de rijken, kon men zich ook een meer luxueuzer onderkomen veroorloven.

De plattegrond rechts toont hoe zo’n boerderij, gebouwd tussen 1880 en 1950, er van binnen uitzag. De afmetingen van het geheel zijn ca. 15 bij 20 meter. Links, van boven naar beneden: de koestal, de waskamer en een slaapkamer (men had de bedstee al vaarwel gezegd). Midden achterin de grote woonkeuken. Rechts van boven naar beneden de kalverstal, het “privaat” (toilet), de paardestal, een bergruimte en nog een slaapkamer. Midden in de boederij was altijd de grote “deel”; de ruimte waar men het graan dorste, het paard besloeg en waar ’s zomers het hooi werd opgeslagen voordat het op de grote hooizolder werd gebracht die zich boven de hele boerderij bevond (een geliefd toevluchtsoord voor muizen, katten en boerendochters met hun “vrijer”). Bovenin de tekening zien we de grote “nienduure”, waardoor vee en oogst naar binnen en naar buiten konden. Oost-Nederland is een bijzonder traditierijke streek: deze indeling is zo uniform dat iemand, bekend met de inrichting, zonder licht ’s avonds in elke boerderij het “privaat” kon vinden, zelfs als men al enige borrels op had. Ook nu nog is een groot deel van de boerderijen op deze wijze ingedeeld. We zien wel steeds meer moderne hoofd- en bijgebouwen maar de traditie wilde dat men de oude behuizing volgens dit model nog lang handhaafde.

One could write a whole book about the living conditions (circumstances) and cultural aspects in the Eastern Netherlands. Well, some people did ! These books are in the public library of Neede. Reading these books, you realize that being rich and having a prosperous life, is something of later years. Until WWI (1914-1918), the farmers’ life was hard and most people were poor in these regions.

Not much has been preserved about the oldest farmhouses in this region. This drawing is of a farm in a nearby region called “De Veluwe”. It is from around 1600 and matches the much older findings of long gone houses elsewhere. Please know that people have lived in these regions for about 10,000 years ! And the first 9,500 didn’t change much in the style of building houses.

This drawing shows the ancient and most common shape of farms in this region. Low walls, high roofs, supported by long poles and covered with thatch.

 

This picture shows a small loam farm that stood near the village of Ruurlo (about 12 miles south west of Neede). The picture dates back to around 1900, the farm itself must then have been a few hunderd years old (dating back to app. 1700) and was already abandoned when this picture was taken. The building material (loam, thatch) made this kind of housing unstable in rain and wind, so it had to be repaired many times a year. And one spark of fire, or a lightning stroke, and all was gone in minutes. Rebuilding took only a few days. All material could be found in the surrounding area and was for free, so if life stock was saved and with the help of neighbours not much harm was done.

 

This farm was called “De Menger”. It is of later date (app. 1800, but no later then 1850), looking at the building style and the use of roof tiles, which started around 1800.

Farmers were relatively poor, but within their class, some difference in standing can be seen looking at some details. E.g. the use of roof tiles (the more, the richer), the height of the walls, the use of glass windows tells a lot about how many hard guilders the farmer could spend on his house. Also, if a separate shed was built, he must have been fairly rich compared to others. Looking at this specific farm tells us that the builder, or later owners, must have been within the richer 25% or so of his class.

This farm has no ties with the name Mengerink, as far as we know now. The names Menger and Mengerink might be connected somewhere in history, but no evidence has been found yet. If there are ties at all, they must lie in the ages before 1600, of which there are no detailed family records.

 

The picture to the right shows a farmhouse that was built shortly after 1850. It stood in the area near Neede called “Spilbroek” (1/2 mile south west of Neede) and the house was called after this area: “Spilbroekhuis”. This area is preserved fairly well and can still be seen as it was back then. Take a walk from the centre of Neede to the south, pass the “Spilbroekschool” on the right side and take the small road at the back of that school in south-west direction. Just a few hundred yards outside the village are the forrests and fields that, together, are called “Spilbroek”. Unfortunately, this house is already gone.

As can be seen on this picture, farmhouses evolved slowly to real houses instead of a combination of house and shed. The walls are higher and have small glass windows (the sidewalls, not to be seen on this picture).

 

On this picture is the court yard of a traditional “Saksiche” (Saxon) farmers’ house of later date (1880 and later). Glass windows are bigger, walls are at “mans” height and the interior is divided by stone walls into sections for people and cattle. The building style is still used today for family houses.

To the left is a sandstone waterhole, which was the only way to get fresh water until the second half of the 20th century.

 

Farms from before 1850 often didn’t have inner walls. It simply was too expensive and a simple wooden fence would do also. So people and life stock lived together in one open space. And the smoke from the fireplace went through a hole in the roof. That is why this kind of built is called a “Lös Hoes” (“Open House”). It is obvious why mortality was high back then. People lived to be 40 or 50, rather then 70 or 80 back then ! Child mortality was even higher: app. 30-40% of children died before their 10th birthday.

 

Neede, in fact the entire “Achterhoek” and “Twente” regions, didn’t offer much to their population. A second source of income was needed to survive. Fabric production was one of them. Because farmers didn’t have much to do during winter, they had time enough to make fabric out of wool, linen and cotton. Rich merchants imported the wool from Scotland, and cotton from subtropical countries, brought this to the farmers in the Fall, and collected the fabric again in Spring. Earnings for the farmer were low (a few cents per yard, for the work done), but it helped them through winter. These merchants earned a lot more (200% – 500% profit wasn’t unusual).

Almost every farmhouse had such a weaving room where during the winter the farmer sat behind his weaving loom, many hours a day, without much light and often without any heating.

 

The farm houses evolved during the ages. Specially after the end of WWII the farms became bigger and bigger and modern houses were built for the farmer and his family. Luxury became a commodity , instead of exception.

The drawing to the right shows a farmhouse of around 1920, one of the latest models of traditional origin, where life stock and people share one building. The three rooms at the bottom are the living quarters (kitchen, living room and bedrooms). The other space is filled with stables for cows, horse and sheep.

After WWII, starting in the 1950’s, the seperation between living quarters and stables and sheds was 100%, mainly because of laws that did not allow anymore to have life stock within the same building as living quarters. Nowadays we see large stables, with a house with garden nearby.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Mister Spy Was Here