Arbeidersleven / The Workman’s Life

Waarom kom je het woord armoe toch zo vaak tegen als je op zoek gaat naar je voorouders ? Is dat omdat deze streken (Noord- en Oost-Nederland) minder te bieden hadden, of is het omdat we toevallig in een arme familie beland zijn. Wel, om elk mogelijk misverstand gelijk de kop in te drukken: 80% van de Nederlandse bevolking leefde tot het einde van de 19e eeuw in ongeveer vergelijkbare omstandigheden: armoe troef. West en Oost, Noord of Zuid, het maakte geen verschil. Het gemiddelde inkomen van een arbeider in de 19e eeuw was 4 gulden, met uitschieters naar 5 á 6 gulden in de rijke maanden en voor de seizoenarbeider niks-niemendal in de winter. Natuurlijk had men verschillen in stand en in de mate van armoe. Er bestonden in principe vier “lagen” of “standen”:

  • De armsten, vaak arbeiders, dagloners, keuterboeren en kleine handelaartjes
  • De zelfstandige boeren en de kleine middenstand
  • De hogere middenstand (smeden, timmerlui, mulders, schoenmakers, kortom: de vaklui, verenigd in de zogenaamde gilden) en de ambtenarij (schepenen, notarissen, later ook de advocatuur)
  • De adel en de bestuurders van steden (de schout, later de burgemeester), van de provincie en van het hele land

Men duidt de geestelijkheid wel eens aan als de vijfde stand. Binnen elke stand had je nog weer bepaalde verschillen , die vaak bepaald werden door het gilde of de familie waartoe men behoorde.

Van de totale bevolking die ze samen uitmaakten, was de laagste stand sterk oververtegenwoordigd. Slechts zo’n 20% werd gevormd door de zelfstandige boeren en de kleinere middenstanders en 10% behoorde tot de hogere middenstand en de ambtenarij.

Wat dat betekende voor onze voorouders laat zich raden: ze behoorden bijna zonder uitzondering tot de categorie arbeiders en ze hadden bar weinig mogelijkheden om dat te veranderen. Eens een arbeider, altijd een arbeider. Veranderen van stand was bijna onmogelijk. Men trouwde binnen de eigen stand en slechts bij hoge uitzondering kon iemand zich “opwerken”. Maar er was ook iets positiefs: veel arbeiders met een vaste woonplaats hadden tóch vaak nog wel een paar kippen, een varken, een geit en, als hij geluk had, zelfs een koe en een stukje grond voor wat groenten, rogge, haver of boekweit. Men kon zodoende de moeilijkste tijden, als er helemaal geen werk was, dóórkomen. Al was het maar door de koe te verkopen en te bidden voor betere tijden.

In onze streken, Twente en Achterhoek, bestond een nog groter deel van de bevolking uit arbeiders en kleine boeren. Er waren nauwelijks steden (Zutphen en Deventer waren de grootste; Enschede en Hengelo waren nog slechts dorpjes) en in de dorpen woonden slechts een handjevol mensen, enkele honderden maximaal. En zelfs in die dorpen leefde men van de landbouw en veeteelt. Menig boer had zijn woning aan de Oudestraat in Neede, en bezat wat land op “D’n Es”, het gebied direct achter de aan weerszijden van de Oudestraat staande boerenhuizen. Dat betekende echter niet dat deze streken gemiddeld genomen armer waren dan elders. Doordat de Achterhoek en Twente over het algemeen hoger zijn gelegen en weinig last hadden van overstromingen van beken en rivieren, kon men redelijk vertrouwen op een goede oogst. Maar daar stonden nogal wat nadelen tegenover. Zoals het geringere afzetgebied voor boerenproducten als graan, vlees en zuivel. En het probleem van de afstand tot de steden: als men een dokter nodig had, dan moest die vaak van heel ver komen … en kwam dus ook vaak te laat.

Armoe betekende ook: afhankelijk zijn van anderen. In onze streken was de “noaberschop” en de “noaberplicht” een groot goed. Men hielp elkaar al wat kon, en meestal rooide men het ook wel, samen. Het was een eer om andermans nood te lenigen. Maar soms moesten de kerken en in de steden ook de stadsbesturen bijspringen. Liefdadigheid was tot in de 19e eeuw onderdeel van het dagelijks leven. Er waren geen sociale voorzieningen en als men geen werk had … wel, dan was er in principe ook geen eten. En dat was meestal in de wintertijd, als goed eten het hardst nodig was om gezond te blijven. De boeren hadden nog de mogelijkheid om te putten uit eigen voorraad, al was dat vaak gedroogd vlees en peulvruchten, dus niet bepaald voedzaam. Maar de arbeider zonder eigen grond en vee had niets om op terug te vallen behalve familie, de buren (noabers) en de kerk. Dat verklaart waarom de gemeenschappen zeer hecht waren. Men hielp elkaar in slechte tijden.

Debet aan de armoede waren ook de leefomstandigheden. Men moest het doen met de eigen handen. Grote werktuigen waren onbetaalbaar (zelfs een ploeg was voor een keuterboer een luxe). Er waren ook geen zaken als kunstmest en bestrijdingsmiddelen, zodat een oogst snel kon mislukken. Een beetje teveel regen of droogte, een plaag van een bepaald ongedierte, een overstroming van beek of rivier, een storm die het graan plat sloeg, en men had dat jaar geen oogst, of alleen genoeg om zélf van te leven. Opbrengst om mee te investeren was er dus niet of nauwelijks, en men kon in die tijden eigenlijk nooit uitbreiden. Kleine boeren bleven kleine boeren.

De behuizing was pover tot slecht. Niet zo slecht als in de noordelijke veengebieden waar de arbeiders vaak in plaggen hutten leefden (hutten gemaakt van dikke plakken gras met de aarde er nog aan), of in huisjes van twijgen en afgedicht met leem, maar toch. De gemiddelde boerenwoning bestond uit een centrale ruimte voor mensen en vee (het “lös hoes”) met lage muren en een rieten dak. Voor huizen met binnenmuren en een pannendak kwam alleen de middenstand in aanmerking en stenen huizen waren letterlijk onbetaalbaar, behalve voor de hogere middenstand en de adel. Pas in de 18e eeuw zien we dat er boerenhuizen met stenen muren werden gebouwd. Steen voor het woongedeelte, maar nog steeds hout voor de stal en de schuur. Kleine raampjes, want glas was heel erg duur. Bovendien: men leefde met de zon en als het donker werd ging men naar bed. Dus waarom ramen, nietwaar ? Het dak bestond uit riet, maar als men veel geld had konden er een paar rijen pannen worden gelegd boven het woongedeelte (hoe meer pannen, des te rijker men was).

Arbeiders- en boerenhuizen hadden meestal maar één ruimte waarin alles gebeurde: wonen, koken, eten, slapen en werken. Het vee stalde men achter een paar hekken. Dat was goedkoper dan muren. Pas in de 2e helft van de 19e eeuw ontstaan boerenhuizen met binnenmuren.

Al met al een karig bestaan en het is vreemd om te ontdekken dat men in die omstandigheden toch een tevreden mens kon zijn. Men was blij met wat men had, en men dankte het opperwezen voor alle extra’s.

Why is it that the word poverty is so common, when searching for ancestors ? Is it because these regions were poor by definition, or is it because we are in a poor line of family ?

Well, to eliminate any possible misunderstanding: 80% of the Dutch population lived in comparable (read: miserable) circumstances until the later 1800’s. Either West, East, South or North of The Netherlands: you’ll find the same everywhere. Average income back then was the equivelant of 4-5 guilders per week (compared to current standards: US$ 80-100 per month would be a fair comparison). These were daily-based incomes; in summer this would be higher, in winter (next to ) zero.

The population was divided in four main classes (we’re talking about the times before 1900):

  1. The poorest of all, day labourers, crofters and “small” merchants
  2. Independant farmers and shop owners (bakers, butchers)
  3. Blacksmiths, carpenters, millers, shoemakers (the so called “gilden” of “crafts”)
  4. Nobility and leading residents like lawyers, notaries and medical practitioners

The “clergymen” like priests and vicars were often considered to be the 5th class, but in Dutch society they are considered to belong to the 4th class. This also counts for civil servants, a class that came up during the 18th century (1700 – 1800). They are considered to belong to the 3rd class, with the exception of the mayor of a town and his head of police, which belonged to the 4th class.

Percentage-wise the divisions lie at 60-20-10-5 or something like that, so roughly more then 70-80% of the population had low to very low income. And that category had almost no chance of getting out of that class. Marriages were generally within the same class.

In these regions another problem arose: while the population grew, the soil didn’t bring more then it did hundreds or even thousands of years back. Such things as artificial fertilizers were unknown until the early 1900’s and provisions like doctors were far away in the city (to timed standards this meant that getting e.g. the flu , or worse: cholera or difteria, was like a fair chance of dying overnight). And those doctors, if available, couldn’t do much anyway.

The farmers each had small pieces of land, like a few acres at the most. And through inheritance these small pieces of land often had to be split up between the sons if a father died. So the working life of the sons started even harsher then that of their father. No wonder that many farmers took the opportunity to have extra earnings by weaving fabric. And no wonder that many people eventually left the country in search for better lives. The first emigration wave from app. 1840 – 1880 was caused by plain poverty.

Side note: In Dutch family names often words like “Klein” and “Groot” appear (“Big” and “Small”). This refres to the inheritance standards of ancient times. The property of the father was split up into two or three pieces. The oldest son got the bigger part (and that farm was then called “Groot …”), the other son(s) got the smaller part(s) and were then known as “Klein …”. Later, in the first decades of the 19th century, these names were made official and from then on we know these “Groot …” and “Klein …” family names.

People had to stick together to survive. Neighbours helped each other at almost every situation, be it the yearly harvest or births and burials. This “noaberplicht” (neighbour duty) was traditionally the best life insurance one could get. An old saying is: “leave your family if you must, but stay friends with your neighbours”.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Mister Spy Was Here