Textielnijverheid / Textile Industry

De oostelijke streken van Nederland, grofweg Twente en de Achterhoek, waren lang verstoken van structureel contact met het westen. Pas in de 17e eeuw ontstond er enige maatschappelijk verband tussen het oosten en het westen toen met de Vrede van Münster onze streken definitief tot de Nederlanden gingen behoren.

Daarvóór deden we meer zaken met onze oosterburen dan met het westen. Die oosterburen, grofweg het gebied Westfalen, met als centrale kernen de steden Bentheim, Osnabrück en vooral Münster, waren van “ons soort”, om het zo maar te zeggen. Boeren van de hogere zandgronden die elkaar begrepen. Bovendien spraken die oosterburen en wij destijds ongeveer dezelfde taal, het Nedersaksisch. Ons “plat” is daarvan afkomstig en lijkt er nog sterk op.

De streek rondom Neede, meer specifiek de Heerlijkheid Borculo, behoorde tot ca. 1615 helemaal niet bij Nederland (of de “De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden”, zoals ze toen heetten). Het gebied hoorde bij het Bisdom Münster en was dus min of meer Duits, al kun je die term er eigenlijk niet aan verbinden omdat er toen niet zoiets was als “Duitsland”, doch slechts een verzameling “duitse” koninkrijkjes, waarvan Westfalen er één was. De grenzen waren niet zo eenduidig als nu, maar grofweg kun je stellen dat de huidige grens tussen Borculo en Lochem ook de grens was tussen “De Nederlanden” en “Duitsland”.

Wat was dan de aanleiding, ergens in de 18e eeuw, om banden met het westen aan te knopen. Welnu, een voor velen heel verrassende: de boeren gingen textiel produceren. De reden was eigenlijk heel simpel: de boerenbevolking had ’s winters niets te doen en men kon een behoorlijke cent bijverdienen door van de eigen geproduceerde of aangeleverde wol doeken en kleding te fabriceren en die te verkopen aan reizende handelaren. Die twee, de boer en de handelaar, ontdekten elkaar pas goed toen niet alleen wol van eigen productie werd gebruikt, maar ook van elders ingekocht materiaal. Uiteindelijk, maar dan is het al de 19e eeuw, werd de textielnijverheid een net zo belangrijke inkomstenbron als de boerderij en menig boer besloot toen om dat boerenbedrijf maar wat minder prioriteit te geven. De handelaren brachten in het najaar de van ver afkomstige wol en katoen, en haalden de gewoven rollen doek weer op als de winter ten einde liep. En de boer … die weefde voort.

Elke boer die hieraan meedeed, en dat waren de meesten, bouwde een weefkamer in zijn boerenwoning. Een klein kamertje waarin het weefgetouw plank voor plank werd binnengebracht en opgebouwd (daarmee verdiende menig timmerman zijn brood). Bij kaarslicht, of het licht van een olielampje, deed de wever/boer van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat zijn eentonige werk. Met de kromme rug, urenlang, turend in slecht licht en vaak in de barre winterkou. Een open haardvuurtje stoken in zo’n weefhok was niet bepaald verstandig en kachels waren er pas rond 1850.

Uit die huisvlijt is langzamerhand de textielindustrie ontstaan, die vanaf halverwege de 19e eeuw tot in de jaren zeventig van de 20e eeuw zo belangrijk was voor Neede en omstreken. Namen als Van Heek, Ten Hoopen, Ter Kuile, Ter Wheeme en, wat langer geleden, ook Blois (Bloos), kent iedereen nog. Deze families waren deels ooit zélf boer, maar hadden nét iets eerder door dat het massaal fabriceren van textiele producten in fabrieken lucratief was. De fabrieken ontstonden als klein gebouwtje, ergens halverwege de 19e eeuw, maar groeiden snel uit tot grote hallen waarin honderden mensen hun brood verdienden.

Die textielbaronnen verdienden er goed aan, gelet op de huizen die men zich vooral in de eerste helf van de 20e eeuw liet bouwen. Ze staan er nog, in Neede langs de Stationsweg en de Borculoseweg, de statige herenhuizen met veranda en oprijlaan. De bevolking sprak hen aan met “meneer” en “mevrouw” en men had respect voor deze textielbaronnen. Ze brachten immers geld en welvaart in het dorp ! Maar die tijden zijn voorbij. De textielnijverheid is ter ziele, dankzij de goedkopere productiemogelijkheden in verre landen. En van de oude boeren weefgetouwen zijn er maar enkele bewaard gebleven in musea, zoals het “Erve Kots” (nabij Groenlo).

Een uitgebreide beschrijving van de periode van opkomst van de textielnijverheid in Oost Nederland vindt u in dit PDF bestand (gepubliceerd door het Historisch Centrum Overijssel). Mocht die link niet meer werken, dan is hier een alternatief.

The eastern regions of The Netherlands, roughly the areas called Achterhoek and Twente, were long seperated from any real contact with the west. That changed during the 18th century, with some trade between the east and the west. Trade with the German “hinterland” (backland) was much more intense then with the west, until about 1750-1800.

From very early days (like in the late Middle Ages) until the roughly the second half of the 18th century  farmers had a tradition of making their own fabric (weaving). Almost every farmhouse had a weaving room, where the farmer in winter times wove the cloth from which the farmers wife could make the clothes they needed. This was a “local” industry. Trading was not wide spread, at the most local farmers traded the fabric or the clothes on the local markets.

During the 19th century, the regional farmers gradually took up the broader weaving trade and began to produce so much textile (fabric) that export was profitable. And there were some textile traders (“barons” or “tycoons”, like in the current oil industry) who began to see that those farmers could produce cheaply and still make quality products. Those barons brought the rough material (wool, linnen) to the farmers in the fall of every year, to return and collect the ready made fabrics during spring. The farmers had time enough during winter to spend weaving, because work on the land wasn’t possible. And they worked long hours ! Ancient stories illustrate that working hours from 6 or 7 am up to 8 or 9 pm were usual. Almost every farmer had such a weaving room in his farmhouse, or nearby on the premesis. But be aware that there was only the light of candles, and almost no heating in such a weaving room. It didn’t matter, earning some extra money on the short-term was more important then the long-term health of the farmer.

Out of this home craft slowly came the textile industry that flourished between roughly 1850 and 1970. Gradually, during the years 1830 – 1900, the textile “Barons” started to join efforts and real factories were built to make work more efficient. It were again the same “barons” that made the most money. Textile workers didn’t earn much more then just the bare minimum to survive (and less) and to keep them from returning to their farming profession. These barons built the villas, mansions and estates that still are alongside the Stationsweg and Borculoseweg in Neede.

But the prosporous life of those “textile barons” ended abruptly during the 1970’s, when labour organisations gained more and more influence and wages had to rise up to a level that no textile factory, no matter how efficient, could afford to keep producing in The Netherlands. More and more production was moved to Eastern Europe, North Africa and to countries like Pakistan, India and Bangladesh.

But to say that these “barons” didn’t bring much good, isn’t right if I may say so. They did bring progress to these regions and despite the fact that their profits didn’t go to where they should have gone, without them we wouldn’t have made the progress we did.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Mister Spy Was Here