Boerenknecht / The Farmers’ Hand

In vroeger tijden kenden de Achterhoek en Twente eigenlijk maar twee bevolkingsgroepen: zij die een boerderij bezaten en zij die er als knecht werkten. Dat lag vooral aan de sociale structuren en tradities. Een boer en zijn vrouw kregen kinderen, vaak vele, maar alleen de oudste zoon en soms nog de op één na oudste, kregen het voorrecht om de boerderij voort te zetten. En er stierven veel kinderen op jong leeftijd. Als de boer en zijn vrouw te oud waren voor het zware werk, dan nam de zoon de boerderij over. Hopelijk was hij dan al getrouwd, want alleen met een vrouw, en met kinderen die oud genoeg waren en dus mee konden helpen, kon hij het werk aan.

De kinderen uit zo’n boerengezin hadden grofweg vier mogelijkheden om hun leven in te richten:

  • De oudste zoon nam na verloop van tijd het bedrijf van zijn ouders over
  • De tweede zoon, als hij geluk had, kon een deel van het bedrijf afsplitsen en zelf boer worden. Anders was hij veroordeeld tot de derde optie.
  • En dat was: een vrouw zoeken wier vader een opvolger zocht voor zíjn boerenbedrijf, of ergens als knecht gaan werken.
  • En de meisjes uit het gezin konden alleen hopen op een “goede partij”, een boerenzoon die ooit zijn vader zou kunnen opvolgen.

Zo kwamen er uit elk gezin wel één of meer kinderen voort die geen kans hadden op een eigen bedrijf. Zij kwamen meestal als knecht of als dienstmeid ergens te werken. Meisjes van goede komaf konden hopen op een betrekking bij de dokter, de notaris of de dominee. De laatste keuze was een dienstbetrekking bij een grote boer, waar meestal het zwaarste werk wachtte. Maar velen gingen ook “naar de stad”.

De jongens die geen kans maakten op een eigen boerderij, van vader of van schoonouders, wachtte bijna per definitie een leven als boerenknecht. Vaak als dagloner, waardoor het een uiterst onzeker bestaan was. Een kleine minderheid kreeg de kans om een vak te leren, zoals smit, timmerman, metselaar of rietdekker.

Het leven van de gemiddelde boerenknecht was zwaar en onaangenaam. De boerenknecht woonde meestal bij de boer “in huis”, meestal in de schuur, op de hooizolder, of als hij geluk had in een eigen kamertje in de boerenwoning.

Het werk van de boerenknecht (meestal gewoon als “arbeider” of “dagloner” aangeduid) was hard. Hij leefde met het licht van de dag, wat betekende dat hij vooral ’s zomers heel lange dagen maakte. Het waren de tijden van ploegen, zaaien, wieden en oogsten. Men begon in maart, als de vorst uit de grond was en pas in oktober of november was het werk op het land gedaan. Omdat er geen bestrijdingsmiddelen waren, moest men het onkruid en het ongedierte zélf te lijf; voorwaar meer dan een dagtaak. In de wintermaanden waren er allerlei klussen binnenhuis, en moest men ook het vee verzorgen dat op stal stond, maar doorgaans waren het stille maanden en was er weinig te doen. De arbeider die bij een grote boer inwoonde, had geluk want die kon vaak met het gezin meeëten en hij kwam in principe niets tekort. Maar de zelfstandige arbeider, de dagloner, had het dan moeilijk. Hij moest maar zien aan onderdak te komen, en aan geld voor eten en brandstof.

De boerenknecht, de arbeider en de dagloner hadden het dus moeilijk. En voor hen werd dat pas anders naarmate er in de 20e eeuw voorzieningen kwamen voor werkloosheid en arbeidsongeschiktheid en naarmate de landarbeid meer werd gemechaniseerd.

Toch, en dat blijkt steeds weer uit de verhalen van onze oudere familieleden, waren die harde tijden ook goede tijden. De familieband was sterk en er zijn drie begrippen die we steeds weer horen: eenvoud, gezelligheid en saamhorigheid. Men was van elkaar afhankelijk en dat bracht met zich mee dat men door goede samenwerking de familieband sterk hield. Men kende elkaar, men wist wat men aan elkaar had en men hielp elkaar door dik en dun. Gezelligheid was troef. Door de grote gezinnen enerzijds, maar ook doordat men nog geen moderne media had, zoals televisie en radio, en uitgaan er ook niet bij was. Men bracht de avonden samen door binnen de warmte en veiligheid van het gezin. En doordat men dicht bij elkaar woonde, vaak in dezelfde straat of buurt, kwam men vrijwel dagelijks bij elkaar “over de vloer”. Grootouders, kinderen en kleinkinderen hielden daardoor de famileband als vanzelf in stand. Hoe anders is dat tegenwoordig … !

In early days, the “Achterhoek” and “Twente” only had two main groups within the population: those that owned a farm and those that worked as a farm-hand. This mainly was caused by the social structure and traditions. A farmer and his wife got children, often many, but only the oldest son and sometimes, when the farm was large enough, his second brother, were privilaged with the farm, or half of it, by the time their father died or was too old to work, or handicapt, etc. With a bit of luck that oldest son was already married, because only with the help of his wife and children, a farmer could survive. Most of the farmers were simply too poor to hire farm-hands. The younger sons (and daughters, but that is another story) that didn’t inherit the farm of a part of it, had no other choice then to help their oldest brother or leave and get a job elsewhere, mostly as a farm-hand on one of the few larger farms in the region.

Basically, farmer’s children had four choices in life:

  • The oldest son inherited the farm of his parents
  • The second son, if lucky, could inherit a smaller part of the farm … if that farm was large enough to start with; else he had no other option then to follow the other, younger, sons namely:
  • Get a wife who’s father didn’t have a son to inherit his farm (and inherit that farm), or
  • Stay on the elder brother’s farm and try to make a living together with him and his family
  • The girls had no other options then to wait for a first or second born son of a “good family” to marry into, or be a maid at some estate or with the local doctor or vicar

The challenge of the oldest brothers was to pick up the farming on their fathers land and try to buy more land during their lifetime, in order to be able to split-up if needed before they died.

This leaves many children that didn’t have a fair chance of getting a farm of their own anyhow. To become a farm-hand or a maid was their only perspective.

Girls from “good families” often counted on a respectfull job as a priest’s, doctor’s or lawyer’s maid. Or marry some craftsman, like a blacksmith or e carpenter. Their last choice was to work as a maid for a rich farmer, but there she had to join the others in doing the hard and dirty work. And many girls went “to the city”, hoping for a job as a maid in some rich family. Not many of them really got “settled” and the unlucky girls often returned to their place of birth to marry some guy and hope for the better.

So, every family had at least one or two children that had a fair chance of getting a farm of their own. The rest had to “go their way” and “hope for the best”. The boys of that category sometimes could get an educational position at some handworkers’ shop, and become blacksmith, carpenter, mason or “roofer” (“thatcher”).

No matter what they did for a living, life was harsh and unpleasent. The farm-hand often lived in the barn and had no privacy. The work was hard. They lived “by the daylight” so in summertime the working day was 12 – 14 hours long with little breaks. In winter time, when the days were short, work continued “in house” but the working days were shorter and people could build up some reserve. But contrary, the food in wintertime was bad and didn’t bring much to build reserves and many farm-hands didn’t make it longer then halfway their fourties. A farm-hand that made it to his 50th birthday was considered an old man.

So, the farm-hands didn’t have an easy life and this only changed around the turning of the 19th/20th century, when mechanisation of farming slowly replaced the bare hands of the farm-hands. Basically, this mechanisation didn’t have much effect until the early 1950’s.

To be hounest, those early days also could be called “good old days” because family ties were strong. People depended on each other strongly and no one could risk to get into trouble with it’s neighbours. People new eachother up to the bare bones; there hardly ever were secrets, and if there were, they mostly escalated into real scandals and whoever caused it, was expelled and had to leave the community.

There was no television or radio, no newspapers, so people had to amuse each other. Story telling was a great way of spending an evening. Families were large, because grandparents, children and grandchildren lived in the same house. The elderly told the stories that were many hunderds of years old, added some “glue” and “spice” and thereby linked the passed to the future, ensuring that the children could tell those stories to their children, and so on. How much has changed since then … !

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Mister Spy Was Here