Landverhuizers / Emigration

Het moment, halverwege de 19e eeuw (1871) waarop Engbert Mengerink en zijn beide broers vanuit Neede naar Amerika vertrokken, is typerend voor vele families in Noord- en Oost-Nederland. Het waren arme tijden. Een arbeider verdiende 4 gulden in de week en werkte daarvoor minstens 10 uren per dag. Vaak moest zijn gezin ook nog meewerken om de aangenomen taken op tijd te kunnen voltooien. Veel arbeiders moesten van boer naar boer gaan om aan de kost te komen. ’s Winters was er vaak helemaal niets te verdienen, en probeerde men via de bedeling (armenzorg) of de kerk nog wat te eten te krijgen. Het is bekend dat er in de periode 1840 – 1870 een nóg grotere armoede heerste. Oogsten mislukten jaar op jaar en er heersten epidemieën van cholera, difterie en andere besmettelijke ziekten. Het landsbestuur, toch al niet bepaald behulpzaam voor de burger, liet de noordelijke en oostelijke provincies helemáál aan hun lot over. Nederland was relatief arm, doordat het na de ineenstorting van de internationale handel (de gouden eeuw, van 1600 tot 1700, was reeds lang verleden tijd) nauwelijks nog inkomsten genereerde uit de koloniën en er geen industrie en export van betekenis was. En het Nederland van de 19e eeuw werd in hoofdzaak geregeerd door liberalen die de bemoeienis van de overheid met de burger tot een minimum wenste te beperken. Eigen verantwoordelijkheid was troef. En mede daardoor ontstond de grote armoede van die jaren.

De enige keuze die een arbeider of boer had als het niet meer ging was te verkassen naar een plaats waar nog wél werk was. Je zag in die periode twee belangrijke migratiestromingen:

  • Migraties naar andere streken binnen Nederland
  • Migraties “overzee” (Amerika voornamelijk)

De migraties binnen Nederland betroffen vooral arme gezinnen die van streek naar streek trokken in de hoop op betere tijden. Meestal werd men gelokt door koppelbazen die op dagbasis arbeiders nodig hadden voor het zwaarste werk in de meest afgelegen gebieden van ons land. Er waren lieden die deze gezinnen een beter bestaan beloofden als ze kwamen werken in de “nieuwe” streken. Het waren streken die tot dan toe niet werden bewoond omdat het woeste gronden waren, moerassen, heide, zandverstuivingen e.d. (Oost-Groningen, Zuid-Oost Friesland en Zuid-Oost Drente). Maar Nederland had er twee dingen ontdekt: de turf en de vruchtbare gronden die ontstonden na de ontginning van de laag- en hoogveengebieden (daar werd na de ontginning op grote schaal boekweit verbouwd). En dat betekende werk en inkomsten. Iets waar menig arbeider en menig boerenzoon zonder erfrechten op afging.

Er waren er ook tienduizenden, men spreekt zelfs van honderdduizenden, die hun heil zochten in de Nieuwe Wereld (Amerika). Veel gezinnen trokken met have en goed, hun laatste geld besteed aan de overtocht, naar wat men hier destijds aanprees als het beloofde land. Amerikaanse staten als Ohio en (vooral) Michigan trokken enorm veel Nederlandse pioniers aan. Mensen die bereid waren om, geheel op zichzelf aangewezen, opnieuw te beginnen. In een vreemd land, met vreemde taal, wetten en gewoonten en zonder enige kennis van de landbouw- en veeteeltmethodes aldaar. Sommigen kwamen al snel terug omdat ze het niet konden redden. Zij waren de gelukkigen die hun terugtocht wél konden betalen. Maar de meesten moesten noodgedwongen blijven en hadden geen keus, anders dan er het beste van te maken. Uiteindelijk hebben zij die bleven het meestal toch gered en zijn hun nazaten, de pioniers van toen, nu gewaardeerde burgers van de Verenigde Staten van Amerika.

Ook veel Oost-Nederlanders gingen “overzees”, waaronder ook minstens drie inwoners van Neede: Engbert, Gerrit Willem en Gerrit Hendrik Mengerink, zonen van Jannes Mengerink en Janna Zaadnoort. De naam Mengerink komt in het Amerika van tegenwoordig veel voor. Zoek maar eens met een Google naar de naam Mengerink; het resultaat is tienduizenden “hits” waarvan een groot deel uit Amerika stamt. Wellicht zijn dit allemaal nazaten van die drie broers die ergens in de 2e helft van de 19e eeuw met have en goed naar “de west” vertrokken ! Door intensieve contacten met hun nazaten weet ik dat zij ook nu nog als pioniers worden geëerd en dat men met respect over hen spreekt.

Er was nog een tweede en derde “migratiegolf”, namelijk in de 50-er en in de 80-er/90-er jaren van de 20e eeuw. Ik heb geen informatie over leden van onze families die in die perioden zijn geëmigreerd. Wel weet ik dat mijn vader vóór zijn huwelijk met mijn moeder serieus heeft overwogen om naar Nieuw Zeeland te vertrekken. Ook toen, vlak na de oorlog, waren het slechte tijden en lokte het verre en onbekende land. Men zag foto’s, las de succesverhalen van hun voorgangers en dacht “wat zij kunnen kan ik ook”. De overheid voerde een actief emigratiebeleid, met voorlichtingsbijeenkomsten in elk dorp en elke stad. Maar inmiddels is duidelijk dat ook zij die toen gingen het moeilijk kregen en dat velen, nu gepensioneerd, zich eenzaam voelen zonder de nabijheid van hun familie. Hun kinderen zijn inmiddels opgegroeid en vernationaliseerd, maar zij die Nederland nog meemaakten blijven de heimwee voelen naar dat verre vaderland van Sinterklaas, erwtensoep en zuinigheid-met-vlijt.

Wie meer wil lezen over landverhuizers, hun achtergronden en motivaties, kan terecht op deze website van het Historisch Centrum Overijssel.

The moment in time, more than halfway the 19th century (1871 to be precise) when Engbert Mengerink and his two brothers left Neede and went to America, is a landmark in history. Not specially because of those three brothers, but because many others did the same thing. It were bad times. Income was low to nothing, work was harsh, deseases all around, crop-failures, etc. etc. Nothing to live for. The central gouvernment in The Hague didn’t have any interest in the regions in the East, North and South because they had a hard time getting the nation back on its feet after 18 years of French occupation (1795-1813) and a seperation war against the Belgians (1830). And that gouvernment was of liberal signature, which meant that they considered almost everything a matter of own concern and responsibility of the people themselves, not of the State. So one couldn’t expect for things to get any better in the near future.

In the 1840’s, a lot of religious disputes were around these regions. Fundamentalist seperations from the Dutch Reformed Church tried to get solid soil under their feet, but were beheld by the laws that prohibited them to preach. This started a first emigration wave that lasted for about 15 years. Most of the emigrants went to Michigan in the USA and founded what now is called the “Dutch Belt”. In later years, starting around 1865, the reasons for emigration were of a more common worldly cause: crop failures, deseases and plain poverty.

It is rather devestating to see how a countries economic position can collapse after having been the leading economic power of the world for 150 years. The Republic of the Seven United Netherlands (the name of The Netherlands until 1795) started very prosperous around 1620, when, still under Spanish rule, she aquired the one colony after the other and so held 50% and more of all world trade in her own hands. The largest colonies were Surinam (South America) and “East India”, the current Republic of Indonesia. When in 1648, with the Münster Peace Pact, The Republic became independant, she already was the richest nation in the world and had the largest fleet, both trade and navy. The biggest rivals were England and Portugal, but those two didn’t have the trading spirits the Dutch had. This period that lasted until the beginning of the 18th century, roughly until 1750, was called the Golden Age. But corruption, several European wars and Portugees and East Asian privateers did not much good. The economy, driven by the United East Indian Company (VOC – Verenigde Oostindische Compagnie) and the somewhat smaller WIC (West Indies Company), the first two multi-nationals in worlds history, diminished slowly between 1750 and 1800, to finally get bankrupt during the French occupation.

This all led to the 19th century situation described before: poverty, with no real prospect for better. The few colonies that were left (Surinam, six Caribean Isles and the current Indonesia) accounted for 60-80% of the State income, but the average man in the street saw nothing from that and suffered.

These were also the times when America arose as the “New World”. Many people thought they could get a new and better life there, and crossed the Atlantic. Most of them succeeded in the end, but they struggled to get a lifeworthing position. Some of them, who didn’t succeed but could afford to get back, told horror stories about the situation in the USA. But many listeners didn’t want to hear that and went abroad anyhow. And lets be hounest: most of them did a very good job in the end !

There was a second emigration wave starting just after WW2, caused by the destruction and a slow rebuild of society and economy. Having to deal with these hard times and without any prospect for a better life, many went to Australia and Canada, a few to the USA.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Mister Spy Was Here