Kerken / Churches

Goed, die kerken dan. Zij waren dus de instantie die de officiële bevolkingsadministratie voerden. Dat werd officieel ingevoerd in 1563, tijdens de 24ste zitting van het Concilie van Trente (Trente is niet de provincie Drente, zoals velen denken, maar een plaats in Noord-Frankrijk). Maar in die eerste tientallen jaren was die regelgeving nog niet overal doorgedrongen. Pas vanaf begin 17e eeuw (rond 1620) vinden er in het algemeen de registraties plaats zoals dat concilie ze had voorgeschreven. Die vertraging had alles te maken met de 80-jarige oorlog die woedde van 1568 tot 1648, en eindigde met de Vrede van Münster. Vanaf 1568 tot ver in de jaren 20 van de 17e eeuw waren er de legers van de Koning van Spanje (Philips II) en van de Prins van Oranje (Prins Willem I) en later die van diens zoon Prins Maurits die, al strijdend, dood en verderf zaaiden. Ze trokken van stad naar stad. Ze belegerden steden soms weken, zelfs maandenlang, waarbij niemand zo’n stad in of uit kon. Logisch dat er van enige landelijke wetgeving geen sprake kon zijn. En regimes in steden wisselden soms per half jaar, waardoor dán weer de katholieken het voor het zeggen hadden en dan weer de protestanten. Geen godsdienaar die in die periode de registratie van dopen en huwelijken op nummer 1 van zijn lijstje had staan.

In de lage landen, zeg maar grofweg het huidige Nederland en Vlaanderen, waren er tot laat in de 19e eeuw slechts drie kerken: de Nederduits Gereformeerde Kerk (waaruit de tegenwoordige Nederlands Hervormde en Protestantse Kerken en hun afsplitsingen zijn voortgekomen), de Katholieke Kerk van Rome en vanaf de 17e eeuw ook de Joodse Gemeenschappen (vaak afstammelingen van Portugese Joden die hun toevlucht namen tot het redelijk veilige en tolerante Nederland). Alleen die drie werden beschouwd als representatief voor “de kerk” en alleen zij mochten de officiële gebeurtenissen zoals dopen, trouwen en begraven uitvoeren en registreren. De enkeling die zich niet tot één van deze kerken rekende (en die waren er écht !), koos vaak toch eieren voor zijn geld en klopte uit pure nood maar bij dominee, pastoor of rabbijn aan. In Noord en Oost Nederland was de Nederduits Gereformeerde Kerk het belangrijkst. Hun registers beslaan meer dan 80% van alle doop-, trouw- en begraafgegevens tot 1811. Ik teken aan dat de Katholieke Kerk eigenlijk niet officieel bestond tussen het einde van de reformatie (ca. 1600) en de Franse Tijd. Een Katholiek bestond officieel niet. Maar ze waren er wel degelijk. Het gedogen begon tegelijk met de beeldenstorm (1566). De Katholieken gingen ter kerke in schuilkerken en in boerenschuren. Bepaalde gemeenschappen zijn altijd Katholiek gebleven, ondanks het stille verbod dat er in de Lage Landen bestond. Alleen in een korte periode die begon in 1672 en slechts enkele jaren duurde, waren de katholieken even “in tel”. De oorzaak was het rampjaar 1672, waarin legers van Frankrijk en de Duitse Bisschop van Münster ons land overspoelden en tijdelijk de katholieke leer herstelden. Maar dit duurde slechts kort en de protestante leer was hersteld alsof er nooit iets was veranderd.

Per landstreek waren er behoorlijke verschillen in de wijze waarop men registreerde, al is er een bepaalde landelijke tendens die je het beste kunt uitdrukken als “zo goedkoop mogelijk”. Noem het Hollandse Zuinigheid. Voor de gemiddelde burger schreef een dominee of pastoor meestal niet meer dan zo’n 5 – 10 regeltjes tekst neer (ik spreek dan over diens hele leven, dus voor doop, huwelijk én overlijden). Zoiets als:

“Den 13. Avril dezes gedoopt Jan, sohne van Hendric en Janna”

of

“1667 … den 23. junij … den selven dito – Hendrick ten Broeckhuijs, nag. Soon van sal. Jan t B van Brammelo, ende Fijken ter Beeck D v Berent t B onder Seddam”.

Welke achternaam de burgers hadden, werd in die tijd minder belangrijk geacht. Men wist in die kleine gemeenschappen immers tóch wel wie er werd bedoeld ! Zie de pagina over de naamgeschiedenis, waarin ik wat meer vertel over de achtergronden van familienamen.

Daar kwam nog eens bij dat een dominee dat schrijfwerk soms uitbestede. En het werd ook vaak uitgesteld en “en masse” eens per maand (of erger) gedaan, soms door de koster of een ouderling die nauwelijks had leren lezen en schrijven. En wie het ook op schreef, het gebeurde altijd op basis van namen die “hij ook maar zo gehoord had”. In bepaalde streken ging de dominee eens per zoveel weken langs de boerenhoeven om de pasgeborenen te dopen, omdat de boeren niet elke week ter kerke konden gaan. En dan noteerde hij de namen, puttend uit zijn herinnering in het doopboek. Geen wonder dat er veel fouten en omissies in die doopboeken zitten. De vermelding “… en lieten een Kint dopen …” heeft menig genealoog tot wanhoop gebracht maar stamt uit deze praktijken.

De boeren en burgers van vóór 1800 konden nauwelijks lezen en schrijven; een heel groot deel was analfabeet, en de rest kwam niet verder dan de eenvoudigste woordjes en de eigen naam. Met een beetje geluk hadden ze geleerd om hun naam hardop te spellen. Namen moesten dus meestal worden vastgelegd “op het gehoor”. Kunt u zich voorstellen hoe dat ging met al die plaatselijke dialecten ? Daardoor kom je in die kerkregisters soms de meest vreemde spellingen tegen van namen. Varianten zoals Jenneken, Jennechen, Jannaken, Janna, Jennechien voor één en dezelfde persoon. En met achternamen was dat nog veel erger dan met de voornamen. Men bezigde die achternamen niet of nauwelijks en soms wist een boer of burger niet eens precies hoe zijn achternaam nou eigenlijk was. Sterker nog, in de oostelijke streken van ons land (en ook elders) hadden de meeste personen niet eens een officiële achternaam en noemden zich dan maar naar de boerderij waar ze woonden, naar de buurtschap, of de familie waarbij ze op dat moment in dienst waren. En soms zelfs werd een persoon vernoemd naar een beroep of eigenschap, zoals in “Timmer Hendrick”, “Mulder Jannes” en “Klaas de Manke”.

Een kleine bijkomstigheid is dat de kerken – het is ze gezien hun doelstelling niet eens kwalijk te nemen – niet de feitelijke geboortedatum maar de doopdatum registreerden. Een mens bestond dus officieel niet, totdat ‘ie gedoopt was. De reden was even simpel als hard: een kind had een heel grote kans om te overlijden gedurende het eerste levensjaar en in het bijzonder vlak na de geboorte. Het aantal kinderen dat dood werd geboren of kort na de geboorte overleed was heel groot. Die kinderen werden vaak niet eens gedoopt en dus niet geregistreerd, tenzij de vader zich daarvoor de kosten kon veroorloven (doorgaans enkele guldens, voor die tijden een groot bedrag). De doop organiseerde men pas na een week, of soms nog later, als duidelijk was dat de nieuwgeborene sterk genoeg bleek. Wat je ook vaak ziet is dat een voornaam van een jong overleden kind wordt hergebruikt voor een volgend kind van hetzelfde geslacht, iets wat sinds het begin van de 20e eeuw overigens niet meer is toegestaan.

Het “datumprobleem” gold min of meer ook voor het overlijden: meestal werd de begraafdatum vastgelegd in plaats van de datum van overlijden. Helaas moeten we met dit feit leven. Soms werden bij de doopgegevens toch de geboortedata vermeld en in de begraafboeken soms ook de werkelijke datum van overlijden, maar dat is eerder uitzondering dan regel.

Bij huwelijken speelde nog iets mee dat we tegenwoordig niet meer kennen: de huwelijksafkondiging. Men was verplicht om een voorgenomen huwelijk op een aantal zondagen voorafgaande aan de trouwdatum in de kerk, later op de muur van het gemeentehuis, openbaar bekend te maken. Pas in de loop van de 20e eeuw is dat afgeschaft. Voor het afkondigen van een huwelijk was een speciaal register: het register van huwelijksaangiften (afgeschaft in 1984) en huwelijksafkondigingen (afgeschaft in 1934).

En dan zijn er nog de lidmatenboeken, waarin de kerken bijhielden wie er tot hun “gemeente” werd gerekend. In die lidmatenboeken zien we de komst en het vertrek van leden van de kerkgemeente opgetekend. Hij of zij die kwam uit een ander dorp, nam de “attestatie” mee van de predikant uit het dorp van herkomst. En als men wilde vertrekken, doorgaans om in een ander dorp te gaan trouwen of werken (“in de kost”), vroeg men de predikant om zo’n attestatie, omdat je zonder zo’n document niet kon reizen (waarom vinden we ons paspoort toch zo modern ?). Jonge inwoners van de gemeente lieten zich officieel inschrijven als zelfstandig lidmaat zodra ze volwassen waren, of eerder, als een huwelijk hen daartoe verplichtte.

Gelukkig werden de kerkbesturen vanaf ca. 1700 steeds meer gedwongen om serieus om te gaan met hun registraties. De landelijke kerkelijke overheden en de centrale overheid (de landsregering) zagen ook toen al in, dat een correcte “boekhouding” van de ingezetenen van wezenlijk belang was voor een goed bestuur … al was het maar om de jaarlijks belasting voor kerk en staat te kunnen opstrijken. Daardoor zijn er na 1700 niet veel hiaten meer in de registers en kan de genealoog er meestal voldoende betrouwbare informatie uithalen.All right, the Churches and what they stood for. They weren’t meant to be the official administrative entity in the first place, but took this task reasonable serious, certainly after the Reformation in the 16th century when Catholicism was replaced by Protestantism in the Low Countries. This Reformation was something like a revolution, sometimes silent, sometimes plain civil war. Out of the smoke, among other things, came something like the basis for our country as we know it now, including the Royal Family. But more about that later.

The Churches were responsible for the peoples administration starting in 1563, during the 24th session of the “Concilie of Trente” (Trente is a town in the North of France and NOT the Dutch province of Drenthe). This “concilie” was a council of church leaders that was held to discuss religious matters. But the first few dozen or so years nothing really changed. It took about 20 – 30 years, at least, to have all church fathers (priests, vicars) taking the task seriously of registering all populative events. Overall acceptance started around 1620 and after that church books were kept by every priest and vicar. This was checked by their principals (for Catholics this was the Church of Rome, for Protestants this was the leadership of the Dutch Reformed Church). Around 1600, there started to become a larger jewish community in The Netherlands, mainly in Amsterdam. These jews were often Portugese jews, dispersed from their land for religious reasons. They already had their own registration methods and imported them, to be in place even today.

Main cause for that delay between official orders and overall acceptance of a sound people’s administration was the 80-year war between The Netherlands and Spain (1568-1648). The Dutch were in fact fighting a freedom fight against the Spanish King Philip II, under the leadership of William of Orange (Willem I), our first “King” (he wasn’t pronounced King, but had the title “Prince of Orange”, which is still the title for our todays Crown Prince). The Spaniards had “owned” the low countries for a long time due to inheritance of more and more parts of the low countries, during the 15th and 16th century.  The war started with the reformation and ended with the Peace Pact of Münster in 1648. The Catholic Spaniards didn’t want to loose our profitable country and tried to keep it under strong discipline by using things like the Spanish Inquisition. Many “ketters” (Protestants, in the eyes of the Spaniards: Heritics) lost their lives on the stake, often after just a 5 minute trial.

The 1648 Peace Pact was of great pan-European importance, comparable to the 1945 Pacts between the USA, Russia, France and Great Brittain. What in fact happened was that Europe was divided into souverein nations, of which “The Republic of the Seven United Netherlands” (The Netherlands) was one. Indeed: our newly born nation was called a Republic led by a “Stadhouder”. This “Stadhouder” (comparable to what we would now call a mix between Prime Minister and King) was an inherited title, and this confuses most foreign people the most. A republic with a constitutional head-of-state, based on family inheritence.

So, the Low Countries, roughly the current Belgium, Luxemburg and The Netherlands, had three Churches: the still existing Catholic Church of Rome, mainly in the south, the current Belgium, the new Dutch Reformed Church (mid and north) and the Jewish Communities (mainly in Amsterdam and The Hague). Of them, only the Dutch Reformed Church was officially allowed to do peoples registrations, but in practice the Catholics communities that were left (and there were many !) did their “thing” in unofficial and tolerated Catholic Churches (often just barns, or sheds, or services held on some attick). The Jewish Communities, 90% of them living in Amsterdam, were allowed to build Synagogues, have services there, kept their own traditions in place and were tolerated. More then 80% of all registrations in the current Netherlands can therefore be found in Dutch Reformed churchbooks.

Those registrations generally weren’t more then a few words, like:

“On April 13 was born Jan, son of Hendrik and Janna.”

No family names, no year, no place of birth, no address, nothing the like. And if people had official family names, they often were misspelled because the father and mother couldn’t write, and the priest, vicar or their assistent had to rely on what they heared, told to them in some local dialect. The Dutch language had, and still has, many dialects, many of them may be considered as different languages, so great are the differences in spelling and pronounciation. That too was a complicating factor of importance. If a priest e.g. came from the province of Friesland to, let’s say, Neede, he needed at least a few months to understand the local dialect ! The other way around was even more difficult …

Family names weren’t considered to be of importance because people called each other by the name of the farm or estate they lived on. And why bother about family names in a community of a few dozen to a few hundred people ?

A small but relevant factor is that a registered birth or death doesn’t contain the real date of birth or death, but the date of baptism and burial respectively. So a baby did not exist officially until he/she was baptised. And if that baby died before his/her first birthday, and later a newborn baby had to be named, the name of the deceased child was often reused. Complicating because then there are two, sometimes even three childs in one family with the same first name. This habit was continued until far into the 19th century.

The registration policy of the churches was taken more and more serious during the 17th century. Then, less and less time holes in those books occur. First and family names are noted correctly in a more and more consistent spelling.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Mister Spy Was Here