De Franse Tijd / French Influences

Vanaf 1811 kwam er wezenlijk verandering in de registratie van de burgerlijke administratie doordat de Franse Regering (de lage landen waren in 1795 bezet door het leger van Napoleon en we werden geregeerd door diens broer, Lodewijk Napoleon) de plaatselijke overheden (de nieuwe instellingen als kanton en gemeente) verplichtte om twee aparte boekhoudingen van de ingezetenen bij te houden, namelijk:

  • De burgerlijker stand
  • Het bevolkingsregister

Ze zijn niet beide al in 1811 gestart en ook niet overal tegelijk, maar men kan stellen dat vanaf 1815 meer dan 95% van de feiten over de bevolking op correcte en uniforme wijze door de gemeentelijke instanties werden vastgelegd. In Zuid-Nederland werden zelfs al vóór 1811 geboorte-, trouw- en overlijdensacten volgens de nieuwe Franse wetgeving opgesteld. We zien dan ook voor het eerst de verplichting om elk kind, ook doodgeboren en jong overleden kinderen, te laten registreren.

De burgerlijke stand had tot doel om de belangrijkste feiten van elk individu te registreren. Geregistreerd werden de geboorte (niet de doop; dat bleven de kerken doen), het huwelijk (er bestond vanaf toen dus ook een dubbel huwelijk: kerkelijk en wettelijk) en de echtscheiding, en de gegevens van het overlijden (de begrafenis werd weer door de kerken geregistreerd, maar de overlijdensdatum, de begraafplaats en begraafdatum moesten worden gemeld aan de seculiere overheid). Daarnaast bestonden er vanaf 1811 tot ver in de 20e eeuw nog de registers voor huwelijksaangiften en huwelijksafkondigingen. Heden ten dage worden alleen nog de geboorte, het huwelijk, de echtscheiding en het overlijden geregistreerd. En natuurlijk de verhuizingen (de verhuizing binnen de gemeente en de in- en uitschrijvingen in een gemeente). Vanaf het begin van deze registers waren het boeken die per deel, blad voor blad, werden volgeschreven. Losse bladen waren fraudegevoelig en mochten niet worden gebruikt. Pas vanaf 1955 zijn losse bladen toegestaan (de welbekende kaartenbakken met gezinskaarten) en sinds halverwege de 90er jaren doen we het uitsluitend nog met de computer.

Het bevolkingsregister had een geheel ander doel. Men beoogde hiermee veel meer te kunnen bijhouden dan alleen de “levensfeiten” van een persoon. Het bevolkingsregister was min of meer per huishouden georganiseerd en men registreerde daarin de in het huishouden levende personen (“wie leven er achter deze deur”). Het bevolkingsregister is pas in 1850 tot stand gekomen, nadat deze gegevens in de eerste decennia van de 19e eeuw uitsluitend op basis van tienjaarlijkse volkstellingen werden vergaard. Men vond die tellingen echter te omslachtig en te fraudegevoelig, en voerde een vast register in waarin naast de feiten uit het register van de burgerlijke stand ook andere zaken werden vastgelegd, zoals het woonadres, verhuizingen, in- en uitschrijving in de gemeente, godsdienst (dit is pas recent uit de registers geschrapt), staatspensioenen, decoraties (koninklijke onderscheidingen), oorzaak van overlijden (ook recentelijk geschrapt) en nog veel meer. Periodieke volkstellingen werden het instrument om deze administratie te controleren.

Voor de genealoog is het bevolkingsregister, hoewel pas later ingevoerd, soms een veel interessanter bron van informatie dan de burgerlijke stand, omdat er de volledige gezinnen in staan (gezinshoofd, echtgenoot en kinderen) en vaak zelfs de huisgenoten zoals inwonend personeel, kostgangers, knechten en tijdelijke logéés. Menig genealoog heeft, al bladerend door het bevolkingsregister van een paar opeenvolgende jaren, personen teruggevonden waarvan de registratie in de burgerlijke stand plotsklaps ophield. Wellicht was die persoon verhuisd en had dat niet gemeld … en dook in een buurgemeente opeens weer op in het bevolkingsregister, bijvoorbeeld als kostganger van …

Het bevolkingsregister is tot eind 60er jaren van de 20e eeuw steeds gecontroleerd door middel van volkstellingen. Massa’s ambtenaren gingen eens in de tien jaar gedurende enkele weken op pad om alle gezinnen te bezoeken en om de gegevens voor het bevolkingsregister op telkaarten te registeren. Die gegevens werden dan vergeleken met de registerkaarten. Nu de betrouwbaarheid van aangiften e.d. steeds beter is, vertrouwd men daarop en zijn volkstellingen niet meer nodig. De kosten van zo’n telling wegen niet meer op tegen de baten. Daarnaast vinden we onze privacy steeds belangrijker en zijn we steeds minder geneigd om ons hele hebben en houden aan zo maar een ambtenaar mee te delen. In 1960 kon dat misschien nog maar nu, in de 21e eeuw, is dat “not done”.

De genealoog gebruikt beide registers naast elkaar, maar de burgerlijke stand is van de twee toch meestal het nauwkeurigst en betrouwbaarst, en biedt uiteindelijk het beste feitenmateriaal.Around 1811 things all changed very rapidly. In 1795 the French armies occupied Holland after a short “war” (a walk-over, is a better name). The Dutch gouvernement was struggling with internal affairs for some decades already, corruption was widely spread and the Dutch army had more to do with a slumbering internal “revolution” then bothering with the southern threat of the French Napoleon. At first we were a separate country under Emperor Napoleon Bonapartes brother Lodewyk Napoleon, who was pronounced King of Holland, but after a few years the French made Holland a province of France and if nothing had changed in the decade after that, we now would be speaking French over here.

Apart from the French language, which didn’t root here as well as they would have liked, the French imported some good things. One of them was the French system for peoples’ administration. Local gouvernments (communal councils) were ordered to keep two seperate registrations:

  • The “Burgerlijke Stand” (BS, a register of facts per individual)
  • The “Bevolkings Register” (BR, a more extended registration of the whereabouts of people within the family home context)

Those registers didn’t start at once in 1811. The BS officially started in 1811, but there were communities that waited until 1815. The BR started in 1850 and, although a French invention, wasn’t really initiated by the French (they ended the occupation in 1813, and two years later Napoleon was defeated at Waterloo). Both registers still exist and are operational today, although in computerised form. No papers, just the electronic version is kept right now, and for every individual a record is kept in a centralized database.

Until recent times (the 1980’s) the administration cards of BS and BR were kept at the communal office of the place of residence, and were sent to the Central Bureau of Genealogy (CBG) in The Hague after the individual deceased. When moving to another town, the cards were sent to that town. This now is fully automated and moving things around is fully digitalized.

The CBG has good documentation about how and where to find data about deceased people. But due to privacy legislation, no information can be enquired about living individuals, without their written consent.

These administrations were checked every 10 years by means of a census. But census costs got out of control and people more and more refused to give all their details to just some civil servant. The last census was held in the 1960’s. We now rely on the system itself and its internal checks. In fact, because people tend to move around much more then 30 or 40 years ago, the system checks and repairs itself.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Mister Spy Was Here